Het is mogelijk om af te wijken van de parkeereis als het in alle redelijkheid onmogelijk of onwenselijk is om geheel of gedeeltelijk aan de parkeereis te voldoen. Daarnaast is ontheffing mogelijk als andere belangen zwaarder wegen of als sprake is van tegenstrijdige eisen (brandweer, milieu etc.).
Hierna volgen enkele vooraf gedefinieerde afwijkingsmogelijkheden. In alle gevallen worden de noodzaak en de verschillende effecten zorgvuldig afgewogen.
5.2.1 Bijzondere locaties
Soms is maatwerk ten aanzien van de toepassing van parkeernormen nodig. Bij een verzoek tot maatwerk ligt de bewijslast bij de ontwikkelaar. In een beperkt aantal gebieden in de stad willen wij zelf gemotiveerd kunnen afwijken van de standaard normen. Dit betreft allereerst het centrumgebied (zone A1: binnenstad en stationsgebied), en de grote werkgebieden buiten de binnenstad, te weten Papendorp, Oudenrijn, Rijnsweerd, Leidsche Rijn Centrum en De Uithof.
Daarnaast hebben we acht binnenstedelijke ontwikkelgebieden aangewezen als maatwerklocaties, te weten Belastingkantoor, Kruisvaartkwartier, Merwedekanaalzone, Rotsoord, Tweede Daalsedijk en Veemarkt, Cartesiusdriehoek en Werkspoorkwartier. Wij willen het mogelijk maken om de ontwikkeling op deze locaties te combineren met de invoering van betaald parkeren. Ontwikkelingen komen namelijk makkelijker van de grond in gereguleerd gebied, doordat het gebruik van de bij de ontwikkeling gerealiseerde parkeervoorziening wordt gewaarborgd (en dus gefinancierd). Bijkomend voordeel is dat in gereguleerde gebieden lagere parkeernormen kunnen worden gehanteerd, zodat ontwikkelaars minder parkeerplaatsen hoeven te realiseren. De gevolgen van een ontwikkeling worden echter niet afgewenteld op de buurt, doordat de gebruikers van het pand niet in aanmerking komen voor een parkeervergunning op straat.
Het college kan, naast de hierboven genoemde gebieden, voor ontwikkelingen onder 3000 m2 bvo nieuwe maatwerkgebieden aanwijzen waarop de maatregelen van toepassing zijn, als het op deze locaties noodzakelijk is om de hoeveelheid verkeer te beperken, en/of de ontwikkelaar kan onderbouwen waarom een lagere parkeernorm noodzakelijk en verantwoord is. Voorwaarde is dat deze gebieden in zone A of zone B liggen, of hier direct aan grenzen, en aansluiten op betaald parkeergebied of op gebieden waarvan al is besloten dat er betaald parkeren wordt ingevoerd.
Het college dient de raad minimaal twee weken van te voren over een voorgenomen aanwijzing informeren, zodat de raad nog kan bijsturen als er bedenkingen zijn. Daarnaast kan de gemeenteraad, op voorstel van het college, nieuwe maatwerkgebieden aanwijzen.
De hoeveelheid verkeer in de stad moet komende jaren beperkt worden om te voorkomen dat het stagneert. Een van de hoofduitgangspunten in het mobiliteitsbeleid (SRSRSB, paragraaf 1.2) is dat nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen de capaciteit van de infrastructuur volgen. De (toekomstige) capaciteit van het omliggende wegennet is randvoorwaardelijk voor de ontwikkelmogelijkheden en functionele invulling van een locatie. Het gaat om de uurcapaciteit van de afwikkeling, de capaciteit vanuit luchtkwaliteits- en geluidsnormen en de benodigde oversteekbaarheid en verkeersveiligheid. Om dit te realiseren kan ervoor worden gekozen om het aantal parkeerplaatsen in of nabij nieuwe ontwikkeling te beperken in combinatie met regulerende en flankerende maatregelen. Het college heeft bijvoorbeeld als uitgangspunt geformuleerd dat voor de Merwedekanaalzone naar verwachting een gemiddelde parkeernorm van 0,3 of lager noodzakelijk is. Randvoorwaarde hierbij is dat de alternatieven voor de privé-auto, zoals fiets en OV, voldoende aantrekkelijk zijn.
Om deze aanpak mogelijk te maken kan het college voorafgaand of tijdens de planontwikkeling meerdere (maatwerk) maatregelen afspreken en/of opleggen, zoals:
• Uitsluitend de minimumnormen toepassen uit de Nota stallen en parkeren.
• Een maximum aantal parkeerplaatsen op basis van uitgangspunten van een omgevings-/structuurvisie of met een berekening die uitgaat van deelauto’s en extra fietsenstallingen. Een hoger percentage van het aantal autoparkeerplaatsen in te ruilen voor deelauto’s en extra fietsparkeerplekken, bijvoorbeeld in combinatie met “MAAS”-maatregelen.
• Autoparkeerplaatsen zo veel mogelijk concentreren in (liefst gebouwde) voorzieningen aan de rand van de ontwikkellocatie, nabij de stedelijke ontsluitingsweg.
• Fietsparkeren direct onder en bij de woning regelen in een gezamenlijke stalling op de begane grond (ook voor woningen > 50 m2 via gelijkwaardigheidsregeling bouwbesluit).
• Direct betaald parkeren invoeren bij ingebruikname van deze ontwikkeling.
• Parkeren buiten loopafstand realiseren, op een locatie die vanaf de ontwikkellocatie voldoende snel bereikbaar is, bijvoorbeeld met fiets of openbaar vervoer.
Bij toepassing van maatwerk gelden minimaal de volgende verplichtingen:
• De ontwikkelaar maakt afspraken met toekomstige bewoners/gebruikers van de ontwikkeling om te voorkomen dat de parkeerbehoefte wordt afgewenteld op de omgeving.
• Bewoners en gebruikers komen niet in aanmerking voor een parkeervergunning op straat. Dit geldt ook als in de toekomst betaald parkeren wordt ingevoerd.
Het college kan de gemeenteraad tevens een voorstel voorleggen waarin er betaald parkeren ingevoerd wordt in gebieden omliggend rondom maatwerkgebieden wanneer dit gepaard gaat met:
een berekening van de uitwijkbewegingen die te verwachten zijn bij het niet invoeren van betaald parkeren in omliggende gebieden en de gevolgen daarvan op het (woningbouw-)programma, én
een voorstel hoe inwoners van de betreffende gebieden voorstellen voorgelegd zullen krijgen en mee kunnen beslissen, over de geboden mobiliteitsoplossingen in hun gebied, waaronder (niet limitatief of uitsluitend) de tijden van betaald parkeren, aanvullende MAAS oplossingen in hun wijk, mogelijkheden voor parkeren op afstand voor bezoekers en de wijze waarop de maatregelen geëvalueerd worden
De maatregelen die zijn benoemd in het addendum kunnen worden toegepast bij ontwikkelingen waarvoor nog geen omgevingsvergunning is verleend. Bij het vaststellen van visies, Stedenbouwkundige programma’s van eisen, en bestemmingsplannen worden de toegepaste maatregelen voor zowel de reeds benoemde gebieden als eventueel in de toekomst te benoemen gebieden expliciet gemotiveerd ter besluitvorming aan de raad voorgelegd. In de gevallen waarin een raadsbesluit geen onderdeel uitmaakt van de procedure, zoals bij projectbesluiten, wordt de raad voorafgaand aan de besluitvorming over de invulling van maatwerk op de betreffende locatie geïnformeerd.
5.2.2 Minder dan de minimumnorm
Er zijn situaties waarin de initiatiefnemer het aantal parkeerplaatsen conform de minimumnorm niet kan of wil realiseren. Dit kan als:
■ OF: er wordt aangetoond dat op andere wijze binnen acceptabele loopafstand rond de ontwikkeling in de nodige parkeerruimte wordt voorzien.
Wanneer in de omgeving op acceptabele loopafstand (zie paragraaf 5.3) in de nodige parkeerruimte wordt voorzien, bijvoorbeeld in een openbare of particuliere parkeergarage, kan worden afgeweken van de parkeereis. Aangetoond moet worden dat deze alternatieve parkeerruimte structureel en duurzaam beschikbaar is op tijden dat het nodig is voor de parkeervraag van de ontwikkeling. Gebruikers van de ontwikkeling komen niet in aanmerking voor een parkeervergunning.
Tevens kan voor wat betreft de parkeerbehoefte van de bezoekers9 een beroep worden gedaan op de openbare ruimte als vervangende parkeerruimte. Daarbij moet, bij een afwijking van meer dan 10 parkeerplaatsen, uit onafhankelijk10 onderzoek blijken dat met de realisatie van het project de parkeerdruk in de directe omgeving11 op het maatgevende moment in de week onder de 80% blijft. De kosten van dit onderzoek komen voor rekening van de vergunningaanvrager.
Bij het bepalen of er alternatieve parkeerruimte structureel en duurzaam aanwezig is in de omgeving (in de openbare ruimte of in een openbare of particuliere parkeergarage) hoeft alleen rekening te worden gehouden met bestaand gebruik van parkeerplaatsen en nieuwe parkeerbehoefte die samenhangt met concrete plannen
■ OF: er bij een ontwikkeling in het A1-, A2- of B1-gebied meer fietsparkeerplaatsen dan de fietsparkeernorm worden gerealiseerd.
In het A1-, A2- en B1-gebied geldt dat bij een ontwikkeling kan worden afgeweken van de parkeereis als extra fietsparkeerplaatsen (dus meer plaatsen dan normatief) worden gerealiseerd. Hierbij geldt dat voor elke autoparkeerplaats minder anderhalve fietsparkeerplaats meer gerealiseerd dient te worden. Deze substitutie is voor 10% van de parkeereis mogelijk. Gebruikers van de ontwikkeling komen in geen geval in aanmerking voor een parkeervergunning.
■ OF: er bij een woningbouwontwikkeling in het A1-, A2- of B1-gebied parkeerplaatsen voor deelauto’s worden gerealiseerd.
In het A1-, A2- en B1-gebied is het mogelijk om bij een woningbouwontwikkeling in plaats van reguliere autoparkeerplaatsen parkeerplaatsen voor commerciële deelauto’s te realiseren. Een openbare parkeerplaats voor een deelauto vervangt vier reguliere autoparkeerplaatsen. Deze substitutie is voor maximaal 20% van de parkeereis mogelijk. Gebruikers van de ontwikkeling komen in geen geval in aanmerking voor een parkeervergunning.
5.2.3 Meer dan de maximumnorm
Het is denkbaar dat een aanvrager meer parkeercapaciteit wil realiseren dan de parkeereis die met de maximum parkeernorm is berekend. Dit kan als:
■ er verkeerstechnisch en milieutechnisch geen bezwaar is tegen de extra verkeersbewegingen die als gevolg van de extra parkeercapaciteit kunnen optreden;
■ de extra capaciteit bedoeld is ter vermindering van de parkeerdruk in de directe omgeving (12).
De extra capaciteit dient als semi-openbare of (bij voorkeur) openbare parkeercapaciteit te worden vormgegeven, zodat ook anderen van deze parkeerplaatsen gebruik kunnen maken.
Hoofdstuk › Paragraaf 5
Artikel 5.2
Afwijkingen
Onderdeel van Beleidsregels Parkeernormen Fiets en Auto 2019 (Bijlage I Nota Stallen en parkeren)