Naar hoofdinhoud

Artikel 3.2

Aanvullende criteria voorzieningen

Onderdeel van Verordening jeugdhulp gemeente Almelo 2019

Als een jeugdige of ouder uit de wettelijke doelgroep jeugdhulp nodig heeft en het eigen oplossend vermogen ontoereikend is, moet het college zorgen voor het inzetten van een voorziening. Met die voorziening moet de jeugdige in staat worden gesteld: gezond en veilig op te groeien; te groeien naar zelfstandigheid, en; voldoende zelfredzaam te zijn en maatschappelijk te participeren. De jeugdhulpplicht kent verschillende aspecten die bijzondere aandacht verdienen: de jeugdhulpplicht geldt voor een jeugdige of ouder die jeugdhulp nodig heeft in verband met opgroei- en opvoedingsproblemen, psychische problemen en stoornissen; de jeugdhulpplicht geldt slechts voor zover de eigen mogelijkheden en het probleemoplossend vermogen ontoereikend zijn De eigen kracht van de jeugdige en zijn ouders staat voorop. Pas als zij er zelf niet uitkomen en ook het sociaal netwerk geen of onvoldoende oplossing biedt, moet het college hulp bieden. de jeugdhulpplicht geldt slechts ten behoeve van de jeugdige die zijn woonplaats heeft binnen de gemeente Het college moet een voorziening treffen op het gebied van jeugdhulp Als jeugdhulp nodig is, moet het college een voorziening treffen. Dit kan een algemene voorziening zijn of een individuele voorziening. Invulling jeugdhulpplicht is aan de gemeente De wet schrijft niet voor hoe gemeenten invulling moeten geven aan de jeugdhulpplicht. Dat is in beginsel aan de gemeenteraad (gelet op artikel 2.9 Jeugdwet) en het college. In de verordening worden de producten omschreven. Het college moet uiteindelijk een zelfstandige afweging maken over of en zo ja, welke voorziening moet worden getroffen. De producten worden verder uitgewerkt in de beleidsregels. De beoordeling is aan het college en niet aan de jeugdige of ouders. Bij het beoordelen van de vraag of jeugdhulp nodig is en zo ja, welke en hoeveel, geldt dat het college dat moet doen aan de hand van objectieve en inzichtelijke criteria (zie Rechtbank Gelderland 12-1-2017, ECLI:NL:RBGEL:2017:159). De rechter zal uiteindelijk vol toetsen of het college op juiste wijze invulling heeft gegeven aan de jeugdhulpplicht (Rechtbank Overijssel 20-6-2017, ECLI:NL:RBOVE:2017:2533). Persoonskenmerken en keuzevrijheid Bij het bepalen van de aangewezen vorm van jeugdhulp moet het college rekening houden met de behoeften en persoonskenmerken van de jeugdige en zijn ouders, evenals de godsdienstige gezindheid, levensovertuiging en culturele achtergrond (artikel 2.3 lid 4 Jeugdwet). De Jeugdwet spreekt in dit verband over het inzetten van 'passende hulp' (artikel 2.5 Jeugdwet). Achtergrond daarvan is dat de hulpverlening in algemene zin effectiever zal zijn als deze beter aansluit bij de identiteit van de jeugdige en zijn ouders. Het college moet de jeugdige en zijn ouders, voor zover redelijkerwijs mogelijk, keuzevrijheid bieden met betrekking tot de activiteiten van jeugdhulp (artikel 2.3 lid 5 Jeugdwet). Het college is niet verplicht altijd keuze te bieden tussen verschillende aanbieders, maar moet wel aandacht schenken aan dit vraagstuk.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel