Dit artikel geeft uitvoering aan artikel 2.10 van de wet. Op grond van die bepalingen moet in de verordening worden geregeld hoe ingezetenen, waaronder in ieder geval jeugdigen en zijn ouders, worden betrokken bij de vormgeving van het jeugdbeleid.
Het eerste lid verwijst naar de krachtens artikel 150 van de Gemeentewet vastgestelde inspraakverordening. Op deze manier wordt gewaarborgd dat er eenzelfde inspraakprocedure geldt voor zowel het jeugdbeleid als op andere terreinen. In het vierde lid wordt het aan het college overgelaten om de exacte invulling van de medezeggenschap vorm te geven.