Er is in ieder geval sprake van een huisvestingsprobleem dat redelijkerwijs te voorkomen is of op andere wijze op te lossen is, indien de aanvrager:
niet alles wat redelijkerwijs tot diens mogelijkheden behoort heeft gedaan om het huisvestingsprobleem te voorkomen of op te lossen;
geen beroep doet op huurbescherming, wanneer de verhuurder aangeeft de huur op te willen zeggen;
niet over voldoende financiële middelen beschikt om de zelfstandige woonruimte te huren, tenzij de aanvraag op grond van artikel 4:7, tweede lid, van de verordening is gedaan;
een woning huurt die niet past bij het inkomen van het huishouden;
bij dreigend geweld een beroep kan doen op een huisverbod, straatverbod of een contactverbod;
met behulp van gerichte behandeling diens medische of sociale woonprobleem kan oplossen
verblijft in een instelling voor maatschappelijke opvang en de uitstroom uit deze instelling aanstaande is en de aanvrager in staat is om een onzelfstandige woonruimte te bewonen of een beroep kan doen op een convenant woning;
zelf over voldoende financiële middelen beschikt om het huisvestingsprobleem op te lossen;
Op een erkend adres voor noodopvang in de regiogemeenten kan verblijven;
met diens inschrijving en toepassing van artikel 3:5 van de verordening naar verwachting binnen drie maanden in staat is om een woonruimte in de regio toegewezen te krijgen.
Hoofdstuk 2 › Paragraaf 2.1
Artikel 2.1.3