De gezamenlijke bodemkwaliteitskaart geeft inzicht in de diffuse milieuhygiënische kwaliteit van de landbodem. Als er sprake is van een verdachte situatie, dan kan de bodemkwaliteitskaart niet worden gebruikt als bewijsmiddel. Informatie over de verdachte locaties is aanwezig bij de gemeente of de provincie.
In de volgende situaties kan in ieder geval geen gebruik worden gemaakt van de gezamenlijke bodemkwaliteitskaart als geldig bewijsmiddel:
Rijkswegen, Rijkswateren, bermen van Rijkswegen en oevers van Rijkswateren;
Spoorlijnen en emplacementen, inclusief spoorbermen;
locaties die worden gesaneerd of gesaneerd zijn (Wbb-locaties). Aan de hand van de eindsituatie (eventuele restverontreinigingen) wordt door de gemeente bepaald in hoeverre de bodemkwaliteitskaart een representatief beeld geeft van de bodemkwaliteit op de locatie;
onderzochte locaties waar een geval van ernstige bodemverontreiniging is geconstateerd, maar waarvoor geen beschikking is afgegeven op ernst en spoedeisendheid dan wel op het saneringsplan;
locaties waar sprake is van een niet-ernstige bodemverontreiniging door een puntbron;
locaties waar mogelijk sprake is van een geval van ernstige bodemverontreiniging (o.a. niet onderzochte locaties uit het historisch bodembestand);
dichtgeslibde of gedempte wijken en sloten;
de toepassing van grond afkomstig van boerenerven en de toepassing van grond afkomstig van percelen waarop in de voorgaande twee jaren bollenteelt heeft plaatsgevonden;
bij grondverzet vanuit de bodemkwaliteitszone gemeentelijke wegbermen naar een van de andere bodemkwaliteitszones (niet zijnde gemeentelijke wegbermen). Tenzij een aparte wegbermenkaart is vastgesteld.
De toepassing van grond binnen de bodemkwaliteitszone wegbermen zelf wordt hierbij niet uitgesloten (zie bijlage 1);
de toepassing van grond ter plaatse van gevoelige bestemmingen (bijvoorbeeld scholen, kinderspeelplaatsen en volkstuinen);
Militaire oefenterreinen, inclusief bebouwing en schietbanen;
Voor bovengenoemde uitgesloten locaties is een ander erkend bewijsmiddel noodzakelijk. Bij ontgraving en toepassing van grond op deze locaties, kan de gemeente per geval bepalen welke partij grond of baggerspecie kan worden toegepast. Tevens kan de gemeente bepalen welke bewijsmiddelen hiervoor noodzakelijk zijn.