In het vorige hoofdstuk is behandeld welke investeringen geactiveerd worden en tegen welke waarde ze op de balans komen. De volgende twee hoofdstukken gaan over de lasten van geactiveerde investeringen. In dit hoofdstuk komen de afschrijvingen aan de orde en in het volgende hoofdstuk de rentelasten.
Art. 64 lid 3 BBV bepaalt dat op vaste activa met een beperkte gebruiksduur jaarlijks wordt afgeschreven volgens een stelsel dat is afgestemd op de verwachte toekomstige gebruiksduur.
Met de term “afschrijvingen” wordt bedoeld: “Het in de boekhouding tot uitdrukking brengen van de waardevermindering van een actief”. Voor het bepalen van de afschrijvingstermijn wordt gekeken naar de levensduur ( ook wel nuttigheidsduur genoemd) van het actief. Daarbij wordt onderscheid gemaakt tussen de economische en technische levensduur. De economische levensduur is de tijd dat een actief economisch verantwoord voor een bepaald doel gebruikt kan worden.
De technische levensduur is de periode welke het (technisch) mogelijk is het actief voor een bepaald doel te gebruiken. De technische levensduur is dus meestal langer dan de economische levensduur. Om te waarborgen dat er bij noodzakelijke vervanging van het actief voldoende middelen aanwezig zijn, dient men van beide opties de kortste termijn te nemen.
Bij de berekening van de afschrijving moet ook rekening worden gehouden met een restwaarde aan het eind van de looptijd. Afschrijving vindt dan plaats over de investering verminderd met deze restwaarde. Op grond van het voorzichtigheidsprincipe wordt bij de gemeente, in vrijwel alle gevallen, de restwaarde gelijk gesteld aan nihil. Bij de bepaling van de afschrijving zal dit ook als uitgangspunt worden gehanteerd.
Het BBV laat de gemeente vrij in de keuze van de te hanteren afschrijvingsmethodiek. De (bij de overheid) meest voorkomende afschrijvingsmethoden zijn de lineaire afschrijving en de afschrijving door middel van gelijkblijvende annuïteiten.