Naar hoofdinhoud

HOOFDSTUK 2

Artikel 2.10

Vaststelling bijstandsnorm voor vergelijking met inkomen

Onderdeel van Handboek Bijzondere Bijstand Schagen 2019

Uitgangspunt voor de draagkrachtberekening is het verschil tussen het inkomen en de bijstandsnorm waarop belanghebbende recht zou hebben als hij geen inkomen had. De bijstandsnorm is de norm zoals genoemd in de Participatiewet. Besloten is om de kostendelersnorm (artikel 20 lid 3 en 22 sub a, per 01-01-2016 artikel 19 sub a van de P-wet) niet toe te passen voor de bijzondere bijstand. In plaats daarvan wordt de norm die van toepassing is, verlaagd met 10% als er in de woning van belanghebbende andere meerderjarige personen wonen. Het aantal personen dat inwoont is niet van belang. Ook de uitzondering van studerenden en kamerbewoners – zoals bij de kostendelersnorm – is niet van toepassing. Er wordt geen rekening gehouden met inkomsten uit onderhuur. Deze systematiek komt overeen met de bepalingen van de Toeslagenverordening, zoals die van toepassing was voor de invoering van de kostendelersnorm. De Beleidsregel lage woonlasten en commerciële huur P-wet Schagen 2015 is alleen van toepassing voor wat betreft de lage woonlasten. Vaststelling bijstandsnorm Voor de bepaling van het inkomen wordt de P-wet vanaf 01-01-2015 toegepast, zoals bij algemene bijstand behalve de kostendelersnorm. Als er in de woning van belanghebbende (een) meerderjarige perso(o)n(en) het hoofdverblijf heeft / hebben wordt 10% van de norm afgetrokken. Er wordt geen verschil gemaakt tussen medebewoning en onderhuur. Inkomsten uit onderhuur worden niet in mindering gebracht. De beleidsregel lage woonlasten en commerciële huur is van toepassing voor wat betreft lage woonlasten. Regels onder 1, 2 en 3 hebben terugwerkende kracht tot 01-01-2015.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel