Het college heeft bij de bijzondere bijstand volledige vrijheid in de vaststelling van de draagkracht van de belanghebbende. Dit betekent dat het college zelf bepaalt welk deel van de middelen bij de vaststelling van de draagkracht in aanmerking wordt genomen. Hierbij is het volgende van belang:
vermogens- of inkomensbestanddelen die op grond van artikel 31 lid 2 Participatiewet niet tot de middelen worden gerekend, worden voor de bijzondere bijstand wel tot de middelen van belanghebbende gerekend;
de vrijlatingsbepalingen voor het vermogen op grond van artikel 34 lid 2 Participatiewet geldt niet voor de bijzondere bijstand;
het college bepaalt het begin en de duur van de periode waarover het vermogen en inkomen in aanmerking wordt genomen.
Dat betekent dat het college deze voor de algemene bijstand wettelijk vrij te laten middelen geheel of gedeeltelijk kan betrekken bij de beoordeling van de draagkracht. Het college kan ook besluiten deze middelen voor de bijzondere bijstand buiten beschouwing te laten. Artikel 35 lid 1 Participatiewet bepaalt immers dat het college zelf oordeelt over draagkracht uit de middelen anders dan het inkomen ter hoogte van de toepasselijke bijstandsnorm.
NB Vaak speelt de vraag of een belanghebbende heeft kunnen reserveren voor de kosten. Dit speelt geen rol bij de vraag of een belanghebbende de kosten kan voldoen uit de draagkracht. Deze vraag maakt exclusief onderdeel uit van de beoordeling of er sprake is van bijzondere omstandigheden
De draagkracht wordt nader uitgewerkt in de paragrafen 2.8, 2.9, 2.10, 2.11, 2.12 2.13 en 2.14 van dit handboek.