**1..** Het Algemeen Bestuur onderzoekt de rekening zonder uitstel en stelt haar vast voor 1 juli van het jaar volgende op dat waarop zij betrekking heeft.
**2..** Het Dagelijks Bestuur zendt de rekening aan Gedeputeerde Staten.
**3..** De vaststelling van de rekening strekt de ambtenaren, belast met het doen van ontvangsten en uitgaven en het Dagelijks Bestuur tot decharge behoudens later in rechte gebleken valsheid in geschrifte of andere onregelmatigheden.
**4..** In de rekening wordt de door elk der gemeenten over het desbetreffende jaar werkelijk verschuldigde bijdrage opgenomen.
**5..** Voor de berekening van de bijdrage als bedoeld in het voorgaande lid wordt, rekening houdend met inkomsten uit anderen hoofde, uitgegaan van het inwonertal op 1 januari van het jaar waarop de rekening betrekking heeft. Voor de vaststelling van de aantallen inwoners worden aangehouden de door het Centraal Bureau voor de Statistiek openbaar gemaakte bevolkingscijfers.
**6..** Het bepaalde in het voorgaande lid is van overeenkomstige toepassing indien en voor zover het bepaalde in artikel 28, derde lid toepassing heeft gevonden. Alsdan wordt als berekeningsbasis voor de werkelijke bijdrage genomen de feitelijk aan de gemeenten geleverde prestaties c.q. het nut dat de gemeenten hebben ondervonden van de taakuitoefening door het openbaar lichaam, in plaats van de aantallen inwoners.
**7..** De verrekening van het verschil tussen de op grond van artikel 28 vierde lid betaalde voorschotten en de werkelijk verschuldigde bijdrage vindt plaats binnen een maand na verzending van de in het tweede lid bedoelde mededeling.
**8..** Bij de in het voorgaande lid bedoelde verrekening kan geen verrekening plaatsvinden als bedoeld in Boek 6, Titel I, afdeling 12 van het Burgerlijk Wetboek met andere vorderingen van of aan het openbaar lichaam.
HOOFDSTUK
Artikel 30