Naar hoofdinhoud
Het waren al de Romeinen die ontdekten dat de klei uit het dal van de Rode Beek in Brunssum en Schinveld voor industriële doeleinden geschikt was (van Kerckhove, 2014). Er ontstond een keramische industrie, die tot na de Middeleeuwen is blijven bestaan. De hier gebakken producten werden tot diep in Duitsland en Frankrijk verhandeld. De klei uit Brunssum werd o.a. vervoerd richting Coriovallum, het romeinse Heerlen. In Coriovallum waren vele pottenbakkers, die de klei uit de streek gebruikten om aardewerk te produceren. Diverse pottenbakkersovens uit deze periode zijn in Heerlen opgegraven en er worden nog steeds nieuwe ovens aangetroffen. In de parkstadgemeenten is een groot aantal locaties bekend (o.a. Brunssum, Schinveld en Nieuwenhagen) waar pottenbakkersovens uit de Middeleeuwen zijn aangetroffen. Op deze locaties werd het typische Brunssum-Schinveldse aardewerk gemaakt. Er is al veel wetenschappelijk onderzoek naar dit aardewerk gedaan. Al in het midden van de 20e eeuw werden pottenbakkersovens en afvalhopen met misbaksels uit die ovens onderzocht. Dit aardewerk, protosteengoed en steengoed, werd van de tweede helft van de 11e tot het midden van de 14e eeuw geproduceerd. Het kende een verspreiding in delen van het Rijnland, Noord- Brabant, Limburg en de Belgische Kempen en in een enkel geval tot ver daarbuiten. De typochronologie is verbonden met die van Rijnlandse en Maaslandse producten. Vondsten van het ‘Brunssum-Schinveld’- of ‘Zuid-Limburgs aardewerk’ spelen wegens hun betrekkelijk nauwkeurige dateringsmogelijkheid een grote rol bij het onderzoek van nederzettingen in Zuid-Nederland. Ook na de jaren zestig zijn aardewerkvindplaatsen in dit gebied bekend geworden. Sprake van coherent onderzoek was er echter niet. Er is op het gebied van analyse, documentatie en publicatie van recente vondsten nog veel te doen (bron: o.a. Stoepker, 2011a en 2011b).

Rechtspraak bij dit artikel