Naar hoofdinhoud
De archeologische verwachtings- en beleidskaart voor de gemeente Simpelveld is een onmisbaar instrument dat een zorgvuldige en verantwoorde omgang met het archeologisch erfgoed mogelijk maakt. Om archeologische belangen mee te wegen, dienen zij echter wel structureel en formeel onderdeel te zijn van het planologische besluitvormingsproces. Op structuurvisie-niveau in de rol van mede-ordenend principe, op bestemmingsniveau als mede- afwegingskader, op ver-gunningsniveau als toetsingskader. Hoe concreter het plan, hoe gedetailleerder de kennis over het archeologische bodemarchief moet zijn. In de volgende paragrafen wordt aangegeven welke werkwijze de gemeente Simpelveld hanteert in de verschillende fasen van planvorming. Structuurvisie-niveau Wanneer de gemeente haar toekomstige ruimtelijke ontwikkelingen gaat vastleggen, houdt zij daarbij rekening met het archeologische erfgoed. Het archeologisch erfgoed dient daarbij in eerste instantie als inspiratiebron. De archeologische resten op een plek hebben namelijk een zeer lokaal verhaal te vertellen, wat onderdeel is van onze lokale identiteit. Voor velen wordt de kwaliteit van de leefomgeving deels bepaald door de herkenbaarheid van deze lokale identiteit. Archeologie wordt door de gemeente als ruimtelijke basiskwaliteit gezien en is daarmee mede-ordenend bij de inrichting. Behoud van archeologische resten is daarbij het uitgangspunt. Daarnaast is het van belang om in dit stadium van planvorming inzicht te hebben in de financiële consequenties van bepaalde ontwikkelingen. Indien bij de ontwikkeling archeologische resten worden bedreigd, is inzicht in de kosten en de tijdsduur van archeologisch onderzoek cruciaal. De archeologische verwachtings- en beleidskaart (meest recente versie), zal dienst doen als basisdocument in deze fase van planvorming. Fysiek archeologisch onderzoek is in deze fase nog niet noodzakelijk en wenselijk. De structuurvisie dient voor advies te worden voorgelegd aan de regio-archeoloog. De regio-archeoloog controleert vervolgens of de archeologische belangen voldoende gewaarborgd zijn. Bestemmingsniveau 2 De nieuwe Omgevingswet wordt nog uitgewerkt en treedt naar verwachting in 2021 in werking. Het deel van de Monumentenwet 1988 dat direct raakt aan de fysieke leefomgeving zal ook in deze wet opgaan (verordeningen, bestemmingsplannen, vergunningen, onthef-fingen, bescherming stads- en dorpsgezichten). Omdat de exacte uitwerking hiervan nog niet duidelijk is en tot die tijd de bepalingen uit de Monumentenwet 1988 van kracht blijven, wordt hier van de huidige situatie uitgegaan (eind 2016). Het centrale juridische instrument in het archeologiebestel is (in ieder geval tot de inwerktreding van de Omgevingswet) het bestemmingsplan of de beheersverordening (Monumentenwet artikel 38a; zie kader en bijlage 2). In de praktijk betekent dit het volgende: Alle bestemmingsplannen en beheersverordeningen binnen een gemeente moeten ‘archeoproof’ zijn; Bij het opnieuw bestemmen van gronden dient het archeologisch aspect meegewogen te worden. Monumentenwet 1988; artikel 38a De gemeenteraad houdt bij de vaststelling van een bestemmingsplan of een beheersverordening als bedoeld in artikel 3.1, onderscheidenlijk artikel 3.38, van de Wet ruimtelijke ordening en bij de bestemming van de in het plan begrepen grond, rekening met de in de grond aanwezige dan wel te verwachten monumenten (lees: waarden). Bestemmingsplannen en beheersverordeningen ‘archeoproof’ De wet 3 In de toekomst waarschijnlijk de Omgevingswet biedt de mogelijkheid om in een bestemmingsplan, beheersverordening, exploitatieplan en voorbereidingsbesluit een beschermingsregime ten aanzien van aanwezige en te verwachte archeologische resten op te nemen (zogenaamd ‘archeoproof’ maken). De gemeente kan vervolgens in het kader van concrete projecten – waarbij een omgevingsver-gunning voor een aanleg- of bouwactiviteit wordt aangevraagd – verder inzoomen op deze eventuele aanwezige resten (zie vergunningsniveau). Concreet gebeurt dit ‘archeoproof’ maken van een (bestemmings)plan door middel van het toekennen van een dubbel-bestemming ‘waarde-archeologie’ op de verbeelding. Dit houdt in dat de gebieden waar archeologische resten voorkomen of worden verwacht een plek krijgen op de verbeelding (dubbelbestemming). Aan deze dubbelbestemming worden vervolgens regels gekoppeld waarin de voorwaarden voor het verkrijgen van een omgevingsvergunning zijn uitgewerkt. In de toelichting dient deze dubbelbestemming goed te worden gemotiveerd. N.B. Voor een omgevingsvergunning, waarbij het gebruik van gronden of bouwwerken in strijd is met het bestemmingsplan of een sloopactiviteit in een beschermd stads- en dorpsgezicht zijn bepalingen ten aanzien van een onder-zoeksverplichting al rechtstreeks in de wetgeving opgenomen (Monumentenwet 1988, artikel 41; bijlage 2). Het is dan ook niet nodig om deze in het bestemmingsplan op te nemen. Middels het bestemmingsplan kunnen sloopactiviteiten (ook buiten beschermde stads- en dorpsgezichten) eventueel ook onderzoeksplichtig worden gemaakt. Het ondergronds verwijderen van fundamenten, muurwerken, en dergelijke, moet in dat geval als aanlegactiviteit worden aangemerkt. Inmiddels is al een groot deel van de bestemmingsplannen in de gemeente Simpelveld ‘archeoproof’. op een enkel ‘postzegelplannetje’ na. Ook bij toekomstige bestemmingsplannen zal het aspect archeologie volwaardig worden meegenomen. Als input voor toekomstige bestemmingsplannen wordt de (meest actuele) archeologische verwachtings- en beleidskaart gebruikt. Opnieuw bestemmen van gronden Soms zijn in een gebied ontwikkelingen gepland die niet voldoen aan het huidige bestemmingsplan. In dat geval wordt er een ontwikkelingsgericht bestemmingsplan opgesteld of er wordt een omgevingsvergunning aangevraagd, waarbij de uitgebreide procedure wordt gevolgd. Dit houdt in dat er een ruimtelijke onderbouwing aan de aanvraag wordt toegevoegd. Archeologie is een facet dat mede afgewogen moet worden in de besluitvorming omtrent de nieuwe bestemming. In deze fase van planvorming dienen we dan ook te beschikken over meer gedetailleerde archeologische informatie. Om een goede, integrale afweging te kunnen maken, is het van belang om te weten of archeologische resten in het plangebied aanwezig zijn, waar deze zich bevinden en of ze behoudenswaardig zijn. Dit dient vastgesteld te worden door archeologisch onderzoek (liefst t/m waarderende fase). N.B. Archeologisch onderzoek dient enkel te gebeuren in gebieden waar archeologische resten reeds zijn vastgesteld of verwacht worden. Bovendien heeft de gemeente Simpelveld bepaald dat onderzoek alleen hoeft te worden uitgevoerd bij ingrepen met een bepaalde omvang en diepte (toetsingsinstrument: archeologische verwachtings- en beleidskaart. Indien uit het archeologisch onderzoek blijkt, dat de resten behoudenswaardig zijn en bedreigd worden door de geplande ontwikkeling, worden ze meegewogen in de besluitvorming rondom de bestemmingswijziging. Uitkomst daarvan zal zijn behoud van de archeologische resten op de locatie (planaanpassing) of behoud van de resten ex situ (archeologische opgraving). Zolang er waardevolle archeologisch resten in het gebied aanwezig zijn en deze niet (volledig) zijn opgegraven, dient in het bestemmingsplan een beschermingsregime te worden opgenomen (dubbelbestemming archeologie met bijbehorende regels en toelichting; zie vorige paragraaf). Nieuwe bestemmingsplannen (zowel ontwikkelingsgerichte als conserverende) worden voor advies voorgelegd aan de regio-archeoloog. De regio-archeoloog adviseert vervolgens of de archeologische belangen voldoende gewaarborgd zijn. Vergunningsniveau Indien een omgevingsvergunning voor een bouw- of aanlegactiviteit wordt aangevraagd binnen een gebied met de dub-belbestemming ‘waarde archeologie‘, dan dient de vergunningverlener aan de hand van de planregels na te gaan of archeologisch onderzoek gewenst is. Sommige ‘verstoringen‘ worden getolereerd, maar bij grote verstoringen zal archeologisch onderzoek noodzakelijk zijn (zie tabel 3). Dit onderzoek moet uitwijzen of archeologische resten in het gebied aanwezig zijn, waar deze zich bevinden en of ze behoudenswaardig zijn. Indien hiertoe aanleiding is, kan vervolgens aan de vergunning één van de volgende voorschriften worden verbonden: de verplichting tot het treffen van technische maatregelen waardoor archeologische resten in de bodem (in situ) kunnen worden behouden; de verplichting tot het doen van opgravingen (behoud ex situ); de verplichting de activiteit die tot bodemverstoring leidt, te laten begeleiden door een deskundige op het terrein van de archeologische monumentenzorg die voldoet aan door burgemeester en wethouders bij de vergunning te stellen kwalificaties. Monumentenwet 1988; artikel 39, lid 2 en artikel 40, lid 1 Bij een bestemmingsplan kan in het belang van de archeologische monumentenzorg worden bepaald dat de aanvrager van een omgevingsvergunning voor een aanlegactiviteit [….] of een bouwactiviteit […] een rapport dient over te leggen waarin de archeologische waarde van het terrein dat blijkens de aanvraag zal worden verstoord naar het oordeel van het bestuursorgaan dat bevoegd is die vergunning te verlenen in voldoende mate is vastgesteld. Vergunningverleners dienen bij een vergunningaanvraag dus de afweging te maken of archeologisch onderzoek noodzakelijk is (ingreep wordt getoetst aan het bestemmingsplan). Het ontbreekt vergunningverleners echter soms aan inhoudelijke kennis. Vandaar dat ondersteuning van deze afdeling in sommige (lastige) gevallen noodzakelijk is. In bijlage 4 is een stappenplan opgenomen, dat duidelijk maakt wie waar verantwoordelijk voor is. Om de achtergrondkennis van de vergunningverleners te vergroten, zal regelmatig een kennisbijeenkomst worden georganiseerd met de regio-archeoloog, waarin het archeologisch proces (en het stappenplan) wordt toegelicht. Tevens komen bij deze bijeenkomst de knelpunten uit de dagelijkse praktijk aan bod.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel