In 2007 heeft RAAP Archeologisch Adviesbureau op verzoek van alle Parkstadgemeenten, een gedetailleerde archeologische verwachtingskaart opgesteld voor het gehele grondgebied van de gemeente Simpelveld (Verhoeven,2007). De archeologische verwachtingskaart geeft inzicht in de aanwezigheid èn de verwachte aanwezigheid van archeologische resten. De kaart is geënt op de lokale omstandigheden ter plaatse en bovendien komen ook de lage en natte gebieden goed aan bod.
Om de verwachtingskaart ook toepasbaar te maken op beleidsmatig niveau is deze vervolgens vertaald naar een beleids-kaart (archeologische verwachtings- en beleidskaart Simpelveld). Op deze archeologische beleidskaart zijn gebieden waarvoor dezelfde beleidsuitgangspunten gelden samengevoegd. Zo zijn er 6 archeologische waardecategorieën ontstaan (zie tabel 3). De geactualiseerde ‘archeologische verwachtings- en beleidskaart Simpelveld’ is inmiddels door de raad vastgesteld (19-12-2013). Bovendien heeft de raad per waarde-categorie bepaald of archeologisch onderzoek nodig is en wanneer vrijstelling van onderzoek kan worden verleend (zogenaamde ondergrenzen). Niet altijd en overal is archeologisch onderzoek namelijk noodzakelijk. Het doel van een gedegen archeologiebeleid is juist om het nut en de noodzaak van archeologisch onderzoek te kunnen bepalen. In tabel 3 staan de ondergrenzen vermeld die in de gemeente Simpelveld worden gehanteerd.
Waardecategorie
Verwachting/waarde
Ondergrens diepte
Ondergrens omvang
1
Rijksmonumenten; terreinen van zeer hoge waarde; wettelijk beschermd
vergunningaanvraag bij Rijk (RCE) conform monumentenwet
2
Terreinen van zeer hoge waarde
40 cm –Mv
100 m²
3
Gebieden met een hoge verwachtingswaarde
40 cm –Mv
250 m²
4
Gebieden met een middelhoge verwachtingswaarde
40 cm –Mv
2500 m²
5
Gebieden met een lage verwachtingswaarde
40 cm –Mv
10000 m²
6
Geen verwachtingswaarde
Geen onderzoeksplicht
Tabel 3. Archeologische waarde-categorieën gemeente Simpelveld met bijbehorende ondergrenzen
Toelichting ondergrenzen
Bij de ondergrenzen geldt als algemene richtlijn: hoe hoger de archeologische waarde of verwachting van een gebied, hoe kleiner de ondergrens. In gebieden met een hoge archeologische waarde of verwachting bevinden zich namelijk naar verwachting meer vindplaatsen dan in gebieden met een middelhoge en een lage archeologische verwachting. Voor deze gebieden geldt dan ook dat bij relatief kleine ingrepen vindplaatsen kunnen worden verstoord. Of vindplaatsen daadwerkelijk worden verstoord wordt sterk bepaald door de aard, omvang en diepteligging van de geplande bodemingrepen. Naast archeologisch relevant, dienen de ondergrenzen ook maatschappelijk haalbaar en praktisch uitvoerbaar te zijn. Geprobeerd is om de zogenaamde planologische ‘kruimelgevallen’ zoveel mogelijk vrij te stellen van archeologisch onderzoek. Daarnaast is het van belang om toevalsvondsten zoveel mogelijk uit te sluiten, aangezien het (financieel) risico hiervan vaak bij de gemeente ligt.
Diepte van de ingreep
Alle bodemingrepen die niet dieper reiken dan 40 cm -Mv zijn vrijgesteld van archeologisch onderzoek. Deze ondergrens van 40 cm is gebaseerd op de gemiddelde diepte van de verstoorde bovengrond (veelal de bouwvoor). Hoewel in de verstoorde bovengrond archeologische resten kunnen voorkomen, bevinden deze zich niet meer in hun oorspronkelijke context. De waarde van deze resten is daardoor relatief gering.
Oppervlakte bodemingreep
Categorie 1. De wettelijk beschermde archeologische monumenten. Voor werkzaamheden is hier altijd een vergunning volgens de Erfgoedwetgeving vereist (aanvraag via gemeente; beoordeling door Rijk). Voor de andere hieronder beschreven categorieën worden in de voorschriften bij het bestemmingsplan richtlijnen vastgelegd waaraan bij de aanvraag voor een omgevingsvergunning, projectafwijkingsbesluit of ontheffing getoetst wordt of er wel of geen onderzoeks-plicht bestaat. N.B. In de gemeente Simpelveld liggen geen wettelijk beschermde archeologische monumenten.
Categorie 2. De terreinen van zeer hoge waarde. Bij ingrepen op deze terreinen geldt de 100 m² die de wet voorschrijft als ondergrens. Alleen bodemingrepen dieper dan 40 cm beneden het maaiveld en met een verstoringsoppervlak groter dan 100 m2 zijn onderzoeksplichtig.
Categorie 3 en 4. Dit zijn de gebieden met een hoge en middelhoge verwachtingswaarde. Voor deze gebieden zijn de grenzen nog verder verruimd (respectievelijk 250 m² en 2500 m²). Hierdoor zijn alleen de grotere projecten onderzoeks-plichtig en geldt voor de meeste (particuliere) vergunningaanvragen geen onderzoeksplicht. Voor de archeologie geldt de afweging dat in deze categorieën alleen grotere onderzoeken tot meerwaarde leiden. “Postzegelonderzoekjes” vormen een te grote belasting voor alle betrokkenen en hebben buiten de gebieden met een zeer hoge waarde weinig informatie-rendement.
Categorie 5. In gebieden met een lage verwachtingswaarde geldt alleen voor grotere projecten (10.000 m²) een onderzoeksplicht.
Categorie 6. Gebieden zonder verwachtingswaarde (verstoorde of reeds onderzochte terreinen). Alle bodemingrepen zijn vrijgesteld van onderzoeksplicht.
Update van de archeologische kaart
De eerder beschreven archeologische kaarten betreffen momentopnamen. Het is de weergave van de stand van zaken, zoals die op het moment van de vervaardiging van de kaarten voorhanden was. Daarmee is de kaart op het moment van uitgave feitelijk al verouderd. Meerdere malen per jaar worden er in de gemeente nieuwe archeologische vondsten gedaan. Ook worden er regelmatig archeologische onderzoeken uitgevoerd die meer inzicht bieden in de wijze waarop het gebied door de mens is gebruikt. Op basis van nieuwe onderzoeksresultaten moeten de heersende wetenschappelijke theorieën soms worden bijgesteld. Om hierop te kunnen anticiperen wordt na een periode van 5 jaar een evaluatie gemaakt van de archeologische kaart (eerstvolgende keer 2018). Indien nodig zal de kaart herzien worden.
De werking van de gemeentelijke archeologische verwachtings- en beleidsadvieskaart zal worden geëvalueerd en er zal worden bezien of actualisering van beleid en/of de verwach-tings- en beleidsadvieskaart noodzakelijk is.
Hoofdstuk 3
Artikel 3.3