Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk 1.

Artikel 1.2

Werking en doel kruimelgevallenbeid

Onderdeel van Beleidsregels voor toepassing van artikel 2.12, eerste lid, onder a, onder 2e van de Wabo

Burgemeester en wethouders mogen met een omgevingsvergunning ontwikkelingen toestaan die afwijken van een bestemmingsplan of beheersverordening (en die niet onder vergunningvrij bouwen vallen). Afhankelijk van de zwaarte van de planologische afwijking kunnen burgemeester en wethouders een omgevingsvergunning verlenen op één van de volgende drie grondslagen, genoemd in artikel 2.12 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo): 1. . Via een binnenplanse afwijking, met toepassing van de regels over afwijking die zijn opgenomen in het bestemmingsplan of de beheersverordening (artikel 2.12, eerste lid, sub a onder 1e van de Wabo); 2. . Via een buitenplanse afwijking voor ‘kruimelgevallen’; in artikel 2.12, eerste lid, sub a onder 2e van de Wabo in samenhang met artikel 2.7 van het Bor is geregeld dat het college van burgemeester en wethouders kan afwijken van het bestemmingsplan of een beheersverordening voor activiteiten die vallen onder de kruimelgevallenlijst, die is beschreven in artikel 4 van Bijlage II van het Bor; of 3. . Via een buitenplanse afwijking met een zogenaamd ‘Wabo-projectbesluit’; als de motivering van het besluit een goede ruimtelijke onderbouwing bevat (artikel 2.12, eerste lid, sub a onder 3e van de Wabo). De voorliggende beleidsregels betreffen de tweede grondslag, dus de bevoegdheid om af te wijken van het bestemmingsplan of een beheersverordening voor kruimelgevallen. Burgemeester en wethouders hebben ten aanzien van de uitoefening van deze bevoegdheid de onderstaande beleidsregels vastgesteld krachtens artikel 4:81 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Deze beleidsregels dienen de volgende doelen: Het bevorderen van een consistente en voortvarende afhandeling van de aanvragen. Voor de motivering van besluiten kan worden verwezen naar de in deze beleidsregels neergelegde gedragslijn. Aan de hand van dit beleid kan een (potentiële) aanvrager vooraf al in grote mate inschatten of zijn/haar initiatief kans van slagen heeft. De beleidsregels bieden ook omwonenden/belanghebbenden inzicht in wat zij kunnen verwachten in hun omgeving, naast de mogelijkheden die het bestemmingsplan of de beheersverordening al biedt. De Awb schrijft in artikel 4:84 voor dat een bestuursorgaan in overeenstemming handelt met de eigen beleidsregels. Hierop gelden twee uitzonderingen: Een beleidsregel wordt niet toegepast indien dat voor één of meer belanghebbenden gevolgen zou hebben die (wegens bijzonder omstandigheden) onevenredig zijn in verhouding tot de met de beleidsregel te dienen doelen (artikel 4:84 Awb). Daarom bevatten deze beleidsregels een zogenaamde hardheidsclausule (zie hierna in hoofdstuk 2). Burgemeester en wethouders laten de algemene gedragslijn eveneens buiten toepassing indien afwijking van het bestemmingsplan of een beheersverordening in een specifieke situatie strijd oplevert met een goede ruimtelijke ordening (artikel 2.12, eerste lid Wabo) en/of met hogere regelgeving dan het bestemmingsplan of de beheersverordening, zoals de Provinciale Ruimtelijke Verordening.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel