Het College bepaalt aan de hand van de individuele omstandigheden en de beschikbare onbeloonde maatschappelijke nuttige activiteiten, de aard van de tegenprestatie en legt dit vast in een beschikking. De tegenprestatie moet naar vermogen kunnen worden verricht. Dit betekent dat de kwaliteiten en bekwaamheden, de persoonlijke situatie en omstandigheden van een belanghebbende van invloed zijn op de keuze voor de te verrichten tegenprestatie.