Naar hoofdinhoud
Goed onderwijs is cruciaal voor de ontwikkeling van alle kinderen en jongeren. Extra hulp en steun vanuit thuis is daarbij heel belangrijk. De steun van ouders/verzorgers vormt een belangrijke voorspellende waarde voor het succes van kinderen. Soms is er op school tijdelijk of structureel extra ondersteuning nodig. Met de invoering van de Jeugdwet en Passend Onderwijs hebben zich hierin grote wijzigingen voorgedaan. De gemeente Ede, de scholen en samenwerkingsverbanden hebben de afgelopen jaren hard gewerkt om hier vanuit ieders eigen verantwoordelijkheid vorm aan te geven. Er is veel bereikt en de basis staat. Nu is dan ook het moment om de vervolgfase in te gaan en verbeteringen door te voeren. De huidige beschik- bare data over het gebruik van jeugdhulp laat een steeds meer groeiende inzet van professionele jeugdhulp zien. De vraag is of kinderen daarmee het beste worden geholpen. Als 1 op de 4 jongens in de leeftijd van 8-12 jaar jeugdhulp nodig heeft, dan doen we iets niet ‘goed’ voor deze kinderen. Deze aantallen zeggen volgens ons niets over deze jongens, maar wel over ons onvermogen om hiermee om te gaan. Dat onvermogen zien en horen we van opvoeders thuis maar vaak ook van leerkrachten. Nu verwijzen we deze kinderen veelal door naar de GGZ hulpverlening, omdat ze ‘anders’ zijn dan het gemiddelde. Als het om zoveel kinderen gaat en de aantallen blijven stijgen dan is straks ieder kind ‘anders’ en heeft ieder kind een vorm van professionele hulp nodig. In PIP 2018 door Dr. Bert Wienen, Associate lector Lectoraat Jeugd, domein Gezondheid & Welzijn Hogeschool Windesheim ‘Wat-is-er-met-dit-kind-aan-de-hand-paradigma’ “Sanne Bloemink beschrijft in haar boek ‘Diagnosedrift’ (Bloemink, 2018) de verschillende factoren die van invloed zijn op de toename van het aantal kinderen met een diagnose. Ze beschrijft (naast de voordelen) ook de nadelen ervan, zoals het zogenoemde Pygmalion effect, de rol die een diagnose speelt in de identi- teitsverwerving (kinderen ‘worden’ dan hun diagnose) en ook het gevaar van stigmatisering. Vanwege deze nadelen is het verstandig om kritisch te zijn over de toename van het aantal diagnoses. Dat kan ons wellicht verder helpen in het verkennen van vraagstukken rond preventie, maar meer nog, in het scherp krijgen van de bedoeling van samenwerking tussen onderwijs en jeugdhulp. Want wie zijn de kinderen die de jeugdhulp in deze tijd zo nodig hebben? Uit verschillende onderzoeken naar verschillende problemen blijkt dat in veel gevallen de school de eerste plek is waar leraren het probleem signaleren en waar dus ook de eerste stap richting een diagnostisch traject wordt gezet. Een kind kan bijvoorbeeld niet meekomen in de groep, de resultaten blijven achter (of lopen juist heel erg voor) en de handelingsverlegenheid stijgt. Ouders, die steeds nauwer betrokken zijn op het wel en het wee van het kind in de onderwijscontext, en leraren analyseren samen het probleem. Omdat de jeugdhulp vaak dichtbij is (laagdrempelig beschikbaar op de scholen) wordt het probleem al snel in een ‘medisch framework’ besproken (misschien ‘heeft het kind’ dit of dat).” “Laten we focussen op het onderwijs als betekenisvolle context en contexten zo aanpassen dat er veel meer kinderen optimaal gebruik van kunnen maken. Kortom, laten we de stap maken van het ‘wat-is-er-met-dit- kind-aan-de-hand-paradigma’ naar het ‘wat-is-er-met- deze-context-aan-de-hand-paradigma” Samen met onze onderwijspartners gaan we op zoek gaan naar nieuwe en andere vormen van ondersteuning aan kinderen die anders zijn en daardoor een extra ondersteuningsbehoefte hebben. We stoppen met het problema- tiseren en medicaliseren van het kind maar zetten in op veranderingen en interventies in de directe omgeving van het kind. Uiteraard blijft individuele jeugdhulp voor kinderen met ernstige beperkingen beschikbaar. NRC 15 12-2017 “Gun je kinderen ook eens een teleurstelling” Socioloog Herman Vuijsje en journalist Anneke Groen constateren in hun recentelijk gepubliceerde boek Eindeloos ouderschap dat ouders nooit eerder zo bezorgd waren om en toegewijd waren aan hun kinde- ren. Ouders zijn assertiever, geloven in maakbaarheid, hebben minder kinderen en voelen zich verantwoor- delijker voor hun geluk. „Bovendien moet alles leuk zijn”, zegt pedagoog Marina van der Wal. „Ouders willen vooral leuke opvoeders zijn.” Misschien”, formuleert ze voorzichtig, „heeft het grensoverschrijdende gedrag van kinderen dat nu met ADHD wordt geassocieerd, wel minder te maken met een aangeboren stoornis en meer met een grenzeloze opvoeding. Doe je dat niet, dan kweek je óf angstige óf luie kinderen, die verwachten dat anderen dingen voor hen doen.” Wat gaan we daarvoor doen?

Rechtspraak bij dit artikel