Er is in ieder geval sprake van een huisvestingsprobleem dat kan worden opgelost door gebruik te maken van een voorliggende voorziening, indien de aanvrager:
de publieke voorzieningen op het gebied van zorg, hulp en ondersteuning, zoals de aanleg van een traplift of andere woningaanpassingen die de gemeente in het kader van de WMO mogelijk maakt, hulp bij het huishouden of vervoersvoorzieningen, wijkverpleging, thuiszorg, maatschappelijk werk, schuldhulpverlening, geestelijke gezondheidszorg of jeugdhulp, of;
met minderjarige kinderen door omstandigheden na een jaar in een zelfstandige woonruimte te wonen en tenminste twee jaar aaneengesloten in de regio te staan ingeschreven, buiten eigen schuld en toedoen, dreigt dakloos te worden en terecht kan bij een vorm van maatschappelijke gezinsopvang.
Hoofdstuk 2
Artikel 2.1.5
Nadere uitwerking afwijzingsgrond artikel 4:5, onder e, van de verordening
Onderdeel van Beleidsregel urgentieverklaringen Delft 2019