Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk 2 › Paragraaf 2.2

Artikel 2.2.1

Nadere uitwerking artikel 4:6, eerste lid, onder a van de verordening

Onderdeel van Beleidsregel urgentieverklaringen Delft 2019

Het gaat in dit artikel om de aanvragers die verblijven in een blijf-van-mijn-lijfhuis of opvang wegens (dreigend) geweld. Het college kan een woningzoekende in deze urgentiecategorie op grond van artikel 12, derde lid, van de wet indelen, indien er geen sprake is van een afwijzingsgrond zoals vastgelegd in artikel 4:5, onder a tot en met k van de verordening en de aanvrager: tenminste twee maanden verblijft in een instelling voor tijdelijke opvang van slachtoffers van huiselijk geweld, volgens gegevens uit de BRP; een kopie van de aangifte kan overleggen van mishandeling door de partner of familielid, of een verklaring van de politie die aangeeft dat er geen aangifte kan worden gedaan vanwege een strafrechtelijk onderzoek naar een misdrijf waarvan de aanvrager slachtoffer is; die getrouwd was of een geregistreerd partnerschap was aangegaan met de dader beschikt over een echtscheidingsbeschikking; de voorliggende voorzieningen al benut, waaronder de mogelijkheid om als medehuurder erkend te worden en op basis van het huurrecht de voormalige gezamenlijke woning op te eisen; tenminste 23 jaar of ouder is, als er geen sprake is van een echtscheiding en het slachtoffer inwonend was alvorens bij deze opvang te verblijven; die (mede-)eigenaar is van een koopwoning bewijs van vrijwaring van de hypotheekverstrekker kan tonen na verkoop van de woning; een risico-screening van de instelling van opvang kan overleggen, die aansluit op de aangifte of verklaring van de politie en waaruit blijkt dat er risico op herhaald geweld bestaat.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel