4.6.1Wat verstaan we eronder?
Inwoners krijgen hulp bij het huishouden in aanvulling op wat zij zelf kunnen doen of zelf kunnen regelen in de eigen sociale omgeving. De gemeente onderzoekt met de inwoner de mogelijkheden van de eigen inzet, ondersteuning door familie, vrienden of buren en het gebruik van algemene voorzieningen in de wijk en neemt dit op in het ondersteuningsplan. De aanbieder die de hulp bij het huishouden namens de gemeente levert maakt op basis van het ondersteuningsplan nadere afspraken over de uitvoering van de toegekende hulp bij het huishouden.
Het gaat om ondersteuning bij het schoon en leefbaar houden van de elementaire gebruiksruimtes in het huis, zoals woonkamer, slaapkamer, keuken en sanitaire voorzieningen.
4.6.2Resultaat
Een schoon en leefbaar huis.
4.6.3Afwegingskader
Bij de beoordeling van de noodzaak van hulp bij het huishouden wordt uitgegaan van de specifieke persoons-kenmerken van de inwoner, zijn situatie met huisgenoten en zijn sociale omgeving. Met name afspraken omtrent de regiefunctie zijn erg belangrijk bij de inzet van hulp bij het huishouden 1 (basis) of hulp bij het huishouden 2 (plus).
Eigen mogelijkheden
Vervolgens beoordeelt het college of er andere eigen mogelijkheden zijn. Hierbij kan gedacht worden aan de situatie waarin men al jaren op eigen kosten iemand voor deze werkzaamheden inhuurt.
Als tegelijk met het optreden van de beperking geen inkomenswijziging heeft plaatsgevonden en er geen aantoonbare meerkosten zijn in relatie tot de beperking, is het oordeel in zijn algemeenheid dat er geen maatwerkvoorziening nodig is, omdat er reeds een algemeen gebruikelijke voorziening is waar de inwoner gebruik van maakt.
Gebruikelijke zorg
Daarnaast beoordeelt het college of er sprake is van gebruikelijke zorg. Gebruikelijke zorg, die huisgenoten geacht worden aan elkaar te verlenen, wordt als een voorliggende voorziening beschouwd. Er mag daarbij echter geen sprake zijn van (dreigende) overbelasting van de huisgeno(o)t(en). Overbelasting of dreigende overbelasting moet objectief worden vastgesteld, bijvoorbeeld door medisch onderzoek.
Huisgenoot
Van gebruikelijke zorg is sprake indien er een huisgenoot aanwezig is, die in staat kan worden geacht het huishoudelijk werk over te nemen. Onder huisgenoot wordt verstaan: een persoon die - ofwel op basis van een familieband, ofwel op basis van een bewuste keuze - één huishouden vormt met de persoon die beperkingen ondervindt. Een huisgenoot is bijvoorbeeld een inwonend kind, maar zijn ook inwonende ouders.
Wie zijn geen huisgenoten?
Personen die een (pension)kamer huren, niet in enige familiebetrekking staan tot de aanvrager en een huurcontract hebben, worden niet gezien als huisgenoten. Van hen wordt wel verwacht dat zij de ruimten schoonhouden waar zij zelf (mede) gebruik van maken.
Rekening houden met de leeftijd van de huisgenoten
Bij gebruikelijke zorg wordt er rekening gehouden met de leeftijd van de huisgenoot. Van huisgenoten tot 18 jaar wordt verwacht dat zij (afhankelijk van hun leeftijd en mogelijkheden) hun bijdrage leveren bijvoorbeeld door hun eigen kamer schoon te houden en door hand- en spandiensten te verrichten, zoals het doen van (kleine) boodschappen, het helpen bij de afwas, et cetera. Van jonge kinderen wordt uiteraard niets of zeer weinig verwacht, terwijl kinderen van 16 en 17 jaar geacht worden om een substantiële bijdrage te leveren.
Van (gezonde) jongvolwassenen van 18 tot 23 jaar wordt verwacht dat ze een eenpersoonshuishouden kunnen voeren. Van (gezonde) volwassenen vanaf 23 jaar wordt verwacht dat ze een volledig huishouden kunnen voeren.
Huishouden naast een baan/studie
Bij gebruikelijke zorg wordt uitgegaan van de mogelijkheid om naast een baan/studie een huishouden te kunnen runnen.
Ver en lang van huis
Alleen bij daadwerkelijke afwezigheid van de huisgenoot gedurende een aantal dagen en nachten kunnen niet uitstelbare taken overgenomen worden. Bij het zwaar en licht huishoudelijk werk gaat het veelal om uitstelbare taken. Voor niet-uitstelbare taken zal ondanks de gedeeltelijk gebruikelijke zorg een maatwerkvoorziening ingezet kunnen worden. Dat is niet mogelijk als de afwezigheid van een huisgenoot een gevolg is van een eigen keuze. De afwezigheid moet dus een verplichtend karakter hebben, zoals bij opdrachten in het kader van werk of bij detentie.
Niet willen of niet gewend
Bij de beoordeling wordt geen rekening gehouden met de mogelijkheid dat huisgenoten aangeven dat ze het huishoudelijk werk niet willen doen of niet gewend zijn om te doen. In situaties dat personen uit de leefeenheid nog nooit huishoudelijk werk hebben gedaan en dit niet kunnen, wordt goed gekeken naar de persoonlijke situatie en indien mogelijk verwezen naar vrij toegankelijke voorzieningen als cursussen of trainingen voor het aanleren van huishoudelijke taken.
Algemeen gebruikelijk en/of algemene voorziening
Het college beoordeelt of er voorliggende en/of algemeen gebruikelijke voorzieningen zijn waar de inwoner gebruik van kan maken en of hij in staat wordt geacht om zelfstandig de voorziening in te zetten. Voorbeelden hiervan zijn:
Een algemene voorziening voor het verkrijgen van hulp bij het huishouden voor licht en zware schoonmaak-activiteiten
Een glazenwasser voor het reinigen van de ramen aan de buitenkant
Het bestellen en laten leveren van boodschappen via internet
Boodschappendienst door vrijwilligers
Een vrijwilliger die meegaat om boodschappen te doen
Maaltijdvoorziening of kant-en-klaar maaltijden
Aanschaf van een droogtrommel
Strijkservice
Tuinman
Hondenuitlaat-service
Deze lijst is niet limitatief. In de loop der tijd zullen voorzieningen die nu nog weinig voorkomen en/of duur zijn, steeds meer ingeburgerd raken en dan als voorliggend kunnen worden aangemerkt. Bij het beoordelen of een voorziening als voorliggend beschouwd kan worden, moet onderzocht worden of de voorziening voor de persoon in kwestie beschikbaar is en past binnen zijn situatie.
4.6.4Maatwerkvoorziening hulp bij het huishouden
Als al het voorgaande niet geleid heeft tot een oplossing van het probleem, zal het college een maatwerk-voorziening inzetten in de vorm van hulp bij het huishouden. Er zal aan de hand van de situatie en de inzet van bovenstaande voorliggende oplossingen worden beoordeeld welk type ondersteuning het meest passend is.
Vormen van hulp bij het huishouden
In Lansingerland zijn er 2 typen hulp bij het huishouden. Hulp bij het huishouden 1 en hulp bij het huishouden 2.
Hulp bij het huishouden 1 (HH1): huishoudelijke werkzaamheden gericht op zelfredzaamheid van de inwoner.
Er wordt bij hulp bij het huishouden 1 verondersteld dat cliënt in staat is tot zelfregie over de planning van de activiteiten. De hulp omvat het ondersteunen bij of het overnemen van activiteiten op het gebied van het huishouden. Dit in verband met een aandoening of beperking die het zelfstandig kunnen uitvoeren van het huishouden beperkt. De cliënt kan voor deze werkzaamheden geen ondersteuning vinden vanuit zijn netwerk. Ook door inzet van vrijwilligers of een algemene of voorliggende voorziening niet (voldoende) mogelijk.
Deze hulp omvat in ieder geval de volgende huishoudelijke werkzaamheden:
huishoudelijk werk, zoals: stofzuigen, reinigen van badkamer, toilet en keuken, kamers opruimen, stof afnemen, bedden opmaken, afhalen en verschonen, opruimen huishoudelijk afval;
ramen zemen aan de binnenzijde.
kleding en linnengoed wassen;
strijken bovenkleding;
boodschappen doen voor het dagelijks leven, indien hiervoor geen voorliggende voorziening mogelijk is;
actief signaleren van veranderingen in de gezondheid en sociale situatie en van behoefte aan meer of andere ondersteuning en dit communiceren via de contactpersoon van de aanbieder naar het Wmo taakveld bij de gemeente; voorbeelden zijn: het signaleren van onveilige situaties en knelpunten in het huishouden en eventuele veranderingen in de wijze waarop de klant in staat is tot het voeren van zijn eigen huishouden (zoals bedorven eten in de koelkast; niet opengemaakte post; verwaarlozing). Signalen worden besproken met de cliënt en doorgegeven aan de contactpersoon in de eigen organisatie, die de signalen doorgeeft aan het Wmo taakveld.
Hulp bij het huishouden 2 (HH2): huishoudelijke werkzaamheden, aangevuld met de organisatie van het huishouden.
Bij hulp bij het huishouden 2 heeft de cliënt ondersteuning nodig bij het organiseren van de huishoudelijke werkzaamheden vanwege gebrek aan eigen regie. HH2 is gericht op overname van de huishoudelijke taken, hulp bij het organiseren van het huishouden en instructie en voorlichting en ondersteuning die direct verbonden zijn met verzorgende activiteiten.
Het gaat bij HH2 om de activiteiten van HH1, aangevuld met activiteiten in het kader van organisatie van het huishouden:
zorg voor voeding (voorbereiden, serveren, afwassen, opruimen, aanreiken van de maaltijd);
opvang en/of verzorging van jonge kinderen tot 12 jaar, wanneer hier geen voorliggende voorziening voor mogelijk is;
dagelijkse organisatie van het huishouden;
adviseren en/of verwijzen – zo mogelijk activeren;
actief handelen naar aanleiding van signalen;
advies, instructie en voorlichting over huishoudelijk werk.
Werkwijze
De consulent indiceert de hulp bij het huishouden en bepaalt het aantal uren inzet en, op hoofdlijnen, de bijbehorende taken conform bijlage 1 bij deze beleidsregels. In het ondersteuningsplan en in de beschikking is beschreven wat de inwoner zelf kan, in hoeverre er gebruik gemaakt wordt van het sociale netwerk en gebruikelijke hulp en of een algemene voorziening onderdeel uitmaakt van het ondersteuningsplan.
Voortzetten hulp na overlijden huisgenoot
Wanneer de inwoner overlijdt en een huisgenoot met beperkingen alleen achterblijft kan de hulp bij het huishouden gedurende 4 weken worden voortgezet op naam van achterblijvende huisgenoot. Zo heeft de achterblijvende huisgenoot 4 weken de tijd om de hulp op een andere manier te organiseren. De Wmo consulent neemt zelf contact op met de achterblijvende huisgenoot.
4.6.5Hulp bij het huishouden voor kinderen die tot het gezin behoren
Het afwegingskader voor de inzet van hulp bij het huishouden bij gezinnen met kinderen wijkt op enkele punten af van het afwegingskader zoals beschreven in artikel 4.6.3.
De zorg voor (jonge) kinderen
De zorg voor kinderen die tot het huishouden behoren is in eerste instantie een taak van de ouders. Het gaat om het zorgen voor de persoonlijke hygiëne van de kinderen, het verzorgen van de maaltijden en de opvang van de kinderen. Als ouders mede door beperkingen niet of niet meer in staat zijn de zorg voor hun kinderen op zich te nemen, kan een maatwerkvoorziening een passende oplossing bieden. In een acute situatie kan een tijdelijke maatwerkvoorziening ingezet worden voor maximaal 3 maanden en in het uiterste geval tot een omvang van maximaal 40 uur per week om tot een permanente oplossing te komen.
Algemeen gebruikelijk en/of algemene voorziening
Algemeen gebruikelijke voorzieningen in deze situatie zijn bijvoorbeeld voorschoolse, tussenschoolse en naschoolse opvang, kinderopvang en opvang door grootouders.
Eigen mogelijkheden
Ook beoordeelt het college de mogelijkheden van ouderschapsverlof.
Maatwerkvoorziening voor kinderen die tot het gezin behoren
Na afweging van gebruikelijke en algemene voorzieningen, kan het college een maatwerkvoorziening in de vorm van hulp bij het huishouden inzetten. In gezinnen met kinderen jonger dan 12 jaar wordt HbH2 ingezet.
Hoofdstuk 4.
Artikel 4.6