Naar hoofdinhoud

Artikel 3.

Beleidskader

Onderdeel van Beleidsnotitie Paardenhouderijen

Voor een goed begrip van (en draagvlak voor) het toetsingskader zijn de te hanteren begrippen en hun betekenis van wezenlijk belang. In overeenstemming met de bestaande beleidsnotities wordt ook in deze beleidsnotitie onderscheid gemaakt tussen een bedrijfsmatige en hobbymatige paardenhouderij. Een bedrijfsmatige paardenhouderij kan daarin weer onderverdeeld worden in een productiegerichte of gebruiksgerichte paardenhouderij. Daarnaast is de categorie ‘maneges’ toegevoegd, vanwege de recreatieve waarde en de afwijkende ruimtevraag van dit type paardenhouderij. In het navolgende worden de belangrijkste kenmerken van de onderscheiden typen paardenhouderijen omschreven. Het hiervoor genoemde is weergegeven in onderstaand schema: 3.1Bedrijfsmatige paardenhouderijen 3.1.1Definitie BEDRIJFSMATIGE PAARDENHOUDERIJ Een bedrijfsmatige paardenhouderij wordt gekenmerkt door een veelal grote(re) omvang en het winstoogmerk waarmee paarden worden gehouden. In hoeverre een paardenhouderij daadwerkelijk bedrijfsmatig is, wordt beoordeeld aan de hand van bijvoorbeeld een bedrijfsplan (of de Wet milieubeheer), waarin de werkelijke aard van de activiteiten duidelijk naar voren komt. PRODUCTIEGERICHT De productiegerichte paardenhouderij richt zich voornamelijk op het fokken van paarden en het bieden van leefruimte aan opgroeiende paarden. Eventueel in combinatie met (daaraan ondergeschikte) trainingsfaciliteiten ten behoeve van de eigen gefokte paarden. Tot een productiegerichte paardenhouderij kunnen de hengstenhouderij, merriehouderij en de opfok van jonge paarden worden gerekend. De productiegerichte paardenhouderij staat dicht bij het agrarisch bedrijf waarbij sprake is van een grondgebonden bedrijf. Veel grond is noodzakelijk om de paarden te kunnen laten grazen gedurende het fokseizoen. Voorts is voor het winterseizoen stalruimte noodzakelijk. Het gaat in veel gevallen om een mengeling van individuele huisvesting van paarden (in afzonderlijke boxen) en groepshuisvesting (waarbij meerdere paarden gezamenlijk in een ruimte worden gehouden). Op het erf is ruimte nodig voor opslag van (vaste) mest en opslag van het ruwvoer en/of stro. Wanneer puur de fokkerij wordt gediend zijn nadere faciliteiten op het erf nauwelijks noodzakelijk. Vaak wordt echter een fokkerij gecombineerd met de sportbeoefening. De paarden uit de fokkerij worden vaak ook in de sport ingezet om de sportkwaliteit te kunnen bewijzen. Voor de sportbeoefening zijn op het erf nadere (ondergeschikte) voorzieningen noodzakelijk, zoals een rijbak en/of rijhal en eventueel een stapmolen en longeercirkels. Deze fokkerijen zijn hiermee meer als gebruiksgericht aan te merken. GEBRUIKSGERICHT De gebruiksgerichte paardenhouderij is gericht op het africhten en trainen van paarden en het bieden van stalruimte voor paarden en het geven van instructie aan derden. De gebruiksgerichte paardenhouderij is niet-agrarisch en heeft als kenmerk publieks- en verkeersaantrekkend te zijn. De benodigde voorzieningen zijn grotendeels hetzelfde als de productgerichte paardenhouderij. Naast stalruimte en eventuele weidegang (niet per definitie noodzakelijk, maar wel wenselijk) zijn faciliteiten als een rijbak en longeercirkels noodzakelijk. In sommige gevallen wordt ook een trainingsmolen nodig geacht. Wanneer het gaat om grotere africhtings-, handels-, pension- en of trainingsstallen is ook een rijhal wenselijk. Door een rijhal is het mogelijk om het gehele jaar eenzelfde ‘product’ af te leveren, ongeacht de weersomstandigheden. Om bedrijfseconomische redenen wordt dit in veel gevallen zelfs als noodzaak gezien. Binnen deze categorie zijn drie veel voorkomende vormen: pensionstallen: bestaan hoofdzakelijk uit stalruimten, ruimte voor opslag van materieel en voer en eventueel een rijbak. Er gaat een beperkte verkeersaantrekkende werking van uit. maneges bestaan vaak uit een groot complex met stallen, rijhal(len), buitenbak, stapmolen, een horecagelegenheid en parkeervoorzieningen. Door de gerichtheid op de gebruiker zijn er veel bezoekers en er is een relatief grote verkeersaantrekkende werking. bij verenigingsaccommodaties wordt op gezette tijden met paarden gewerkt (lesgeven) en er worden in feite geen paarden ter plaatse gehouden. 3.1.2Beoordelingscriteria BESTEMMINGEN De bedrijfsmatige paardenhouderijen zijn naar aard- en omvang in te delen in een agrarische bestemming. De productiegerichte paardenhouderijen passen binnen de bestemming ‘Agrarisch’. De gebruiksgerichte paardenhouderijen passen binnen de bestemming ‘Agrarisch – Paardenhouderij’. Voor maneges geldt een aparte bestemming, namelijk ‘Sport – Manege’. HINDER De vestiging van paardenhouderijen mag geen onevenredige hinder veroorzaken voor de bestaande omgeving. Paardenhouderijen hebben net als vele andere vormen van bedrijvigheid een impact op de omgeving. Bij het toekennen van mogelijkheden voor paardenhouderijen dient de vestiging zorgvuldig te worden afgewogen aan die impact op de omgeving. Een goed aanknopingspunt voor het al dan niet kunnen toestaan van paardenhouderijen op een bepaalde locatie biedt de VNG-notitie Bedrijven en milieuzonering (2009). Hierin is voor zowel paardenfokkerijen (0143) als voor maneges (931.E) een minimale richtafstand van 50 meter aangegeven tot de dichtstbijzijnde hindergevoelige functie (zoals woningen). De opgenomen richtafstanden zijn afgestemd op de omgevingskwaliteit zoals die wordt nagestreefd in een rustige woonwijk/rustig buitengebied1Omgevingstype rustige woonwijk en rustig buitengebied. Een rustige woonwijk is een woonwijk die is ingericht volgens het principe van functiescheiding. Afgezien van wijkgebonden voorzieningen komen vrijwel geen andere functies (zoals bedrijven of kantoren) voor. Langs de randen (in overgang naar mogelijke bedrijfsfuncties) is weinig verstoring door verkeer. Een vergelijkbaar omgevingstype qua aanvaardbare milieubelasting is een rustig buitengebied (eventueel inclusief verblijfsrecreatie), een stiltegebied of een natuurgebied.. Bij het bepalen van een dergelijke afstand zijn diverse hinderaspecten meegewogen, zoals geluid, stof en geur. Geur blijkt doorslaggevend voor de te hanteren richtafstand bij paardenhouderijen. Voor maneges geldt een grotere verkeersaantrekkende werking. Weergave paardenbedrijf op te korte afstand (<50 meter) van woningen in een rustige woonwijk. Van de richtafstanden kan worden afgeweken wanneer sprake is van een omgevingstype ‘gemengd gebied’. Zonder dat dit ten koste gaat van het woon- en leefklimaat kan de richtafstand met één afstandsstap worden verlaagd. Lintbebouwing in het buitengebied, aangevuld met overwegend agrarische en andere bedrijvigheid, kan als gemengd gebied worden beschouwd. Voor paardenhouderijen in een omgevingstype gemengd gebied kan een richtafstand van 30 meter worden aangehouden wanneer hieraan een goede motivatie ten grondslag ligt. Weergave van lintbebouwing in het buitengebied waar verschillende functies op korte afstand van elkaar aanwezig zijn. Gemotiveerd kan een richtafstand van 30 meter worden aangehouden. MANEGE Maneges vormen een bijzondere categorie binnen de paardenhouderijen. Zij trekken relatief veel mensen en verkeer aan, kenmerken zich vaak door grote bouwvolumes en zijn daarentegen qua grondareaal relatief klein. De gemeente wil aan deze bijzondere vorm van paardenhouderijen, die meer gericht is op aanloop van personen van elders, dan ook nadere eisen stellen qua situering. De gemeente vindt het belangrijk dat maneges goed bereikbaar zijn met zowel de auto als de fiets. Maneges zouden daarom uitsluitend gesitueerd moeten worden in de nabijheid van de dorpskernen binnen de gemeente. Maneges dienen binnen een zone van 2,5 kilometer van een dorpsrand te worden gevestigd en moeten voorzien in voldoende parkeergelegenheid. Maneges zijn doorgaans groter dan een bedrijfsmatige paardenhouderij en krijgen een bouwvlak van 1,5 ha. Binnen een bouwvlak worden alle gebouwen en in principe ook alle voorzieningen gerealiseerd die voor de bedrijfsvoering nodig zijn. Bedrijfswoningen zijn toegestaan. Bij maneges is ondergeschikte horeca toegestaan in de vorm van een kantine. Locatie Manege ten opzichte van de dorpskern. BEDRIJFSWONING Op een paardenhouderij zijn 24 uur per dag dieren aanwezig die verzorging nodig hebben. De aanwezigheid van een bedrijfswoning is dan ook mogelijk. VOORZIENINGEN Huisvesting Voor de huisvesting gaat het in de eerste plaats om stalruimte (paardenboxen) die afhankelijk van de behoefte voor 1 of meerdere paarden ruimte bieden (loopstal). Voor een enkel paard is de afmeting per box minimaal 10 m2. Daarnaast zijn er nog buitenvoorzieningen zoals een paddock en een uitloopruimte. Verblijfaccommodaties Voor recreatief verblijf bij een bedrijfsmatige paardenhouderij wordt aangesloten bij de regelingen Bed&Breakfast zoals opgenomen in de bestemmingsplannen van de gemeente Midden-Groningen. Ondersteunende horeca Bij maneges bestaat vaak de behoefte om bezoekers te ontvangen met een hapje of een drankje. Binnen deze categorie wordt dan ook toegestaan om in de bedrijfsgebouwen een gedeelte in te richten als kantine. Deze ondersteunende horeca beslaat niet meer dan 15% van de nettovloeroppervlakte van de bebouwing van de manege, met een maximum van 100 m2. Openings- en sluitingstijden van de ondersteunende horeca zijn hetzelfde als die van de manege. Voor de overige bedrijfsmatige paardenhouderijen gelden deze mogelijkheden niet. RUIMTELIJKE KWALITEIT Vestigingsplaats De vestiging van paardenhouderijen mag geen onevenredige afbreuk doen aan het landschap. Dit betekent dat een verdere verdichting van het landschap zoveel mogelijk moet worden voorkomen. Nieuwe paardenhouderijen kunnen dan ook uitsluitend op bestaande erven worden gevestigd. Nieuwbouwmogelijkheden Terughoudendheid in het oprichten van extra bebouwing op een erf en daarmee een verdere verdichting van het landschap is bij een paardenhouderij belangrijk. Volledig vestiging in bestaande bebouwing is echter niet altijd mogelijk. Nieuwbouw van gebouwen ten behoeve van een paardenhouderij is dan ook mogelijk onder voorwaarden van landschappelijke inpassing en verbetering van de erfinrichting. Erfinrichting Op een erf van een paardenhouderij zijn (afhankelijk van het type paardenhouderij) naast de bebouwing diverse faciliteiten aanwezig ten behoeve van de uitoefening van de paardenhouderij. Al deze faciliteiten hebben een eigen uitstraling. De gemeente acht het van belang dat deze faciliteiten op het erf en binnen het bouwvlak worden geconcentreerd ten einde de ‘verrommeling’ te voorkomen. Inrichting erf. Links: afbeelding geeft een rommelig erf weer. Rechts: afbeelding geeft een erf weer waarbij alle voorzieningen op een logische plaats op het erf zijn geplaatst. Bouwvlak Om de landschappelijke kwaliteit te kunnen waarborgen is de minimale erfomvang van een paardenhouderij van belang. Immers, een paardenhouderij heeft ruimte nodig om bebouwing en overige faciliteiten in te passen. Om dit ruimtelijk verantwoord te kunnen vormgeven, is een minimale omvang van het erf belangrijk. Wanneer de fysieke ruimte ontbreekt, worden bebouwing en faciliteiten op een erf ‘gepropt’, waarbij bijvoorbeeld de buitenmuur van de stal tevens voor een deel de bakrand van de rijbak vormt. Dit komt de ruimtelijke kwaliteit niet ten goede. Bij nieuwvestiging van paardenhouderijen dient het erf voor een bedrijfsmatige paardenhouderij ten minste 1 hectare groot te zijn. Hoewel paardenhouderijen qua functie afwijken van agrarische bedrijven, hebben zij wel ongeveer eenzelfde ruimtebehoefte. De gemeente stelt zich dan ook op het standpunt dat bedrijfsmatige paardenhouderijen eenzelfde bouwvlak toegekend moeten krijgen als de agrarische bedrijven. Vergroting van het bouwvlak voor bedrijfsmatige paardenhouderijen in het buitengebied moet onder voorwaarden (met name qua landschappelijke inpassing en in overeenstemming met de provinciale verordening) mogelijk zijn tot 2 hectare. Trainingsfaciliteiten Trainingsfaciliteiten, stalling van paardentrailers en vrachtwagens en opslag van mest en ruwvoer op het erf bepalen voor een belangrijk deel de ruimtelijke impact van een ‘paardenerf’. Een goede situering van trainingsfaciliteiten, maar ook van opslag van mest en ruwvoer en stalling van transportmiddelen ten opzichte van de bebouwing draagt in belangrijke mate bij aan een goede ruimtelijke kwaliteit. Mestopslag is binnen een bouwvlak toegestaan, mits niet achter het woningperceel van derden. Trainingsfaciliteiten, alsmede de stalling van paardentrailers en vrachtwagens en opslag van mest en ruwvoer dienen zoveel mogelijk achter de bebouwing en niet aan de wegzijde (en in ieder geval achter de bedrijfsbebouwing) te worden gesitueerd. Een (binnen- of buiten)rijbak is de belangrijkste voorziening voor het africhten en/of trainen van paarden. Daarnaast zijn er nog voorzieningen denkbaar als een longeercirkel en trainingsmolen. Het aantal paardenbakken binnen een bedrijfsmatige paardenhouderij is niet beperkt. Wat betreft de mogelijkheid voor lichtmasten worden wel enkele voorwaarden gesteld: ten hoogste 6 per paardenbak; maximaal hoogte van 6 meter; lichtbundel door afscherming gericht op de rijbak; slechts in gebruik tijdens de periode van 07.00 uur tot 22.00 uur; indien geplaatst in de nabijheid van woningen, moeten de lichtmasten van de woningen af worden gericht (geen lichthinder veroorzaken). • Landschappelijke inpassing (bij nieuwvestiging) Paardenhouderijen, met name gebruiksgerichte, kunnen een behoorlijke impact hebben op hun omgeving. De aanwezigheid van rijhallen, paardenbakken, (witte) hekken en stapmolens drukken hun stempel op het landschap. In deze notitie wordt dan ook gesteld dat de vestiging van paardenhouderijen geen onevenredig afbreuk mag doen aan het landschap. Naast dat nieuwvestiging van paardenhouderijen alleen is toegestaan op bestaande erven, kan beplanting in veel gevallen de ruimtelijke impact van paardenhouderijen verzachten en tevens de landschappelijke structuur versterken. Landschappelijke inpassing van paardenhouderijen is noodzakelijk en is geënt op de bestaande landschappelijke structuren. Hiervoor dient een erfinrichtingsplan te zijn opgesteld. In dit erfinrichtingsplan dient met toepassing van de maatwerkmethode, onder begeleiding van een bij de gemeente werkzame deskundige op het gebied van stedenbouw en landschapsarchitectuur en in overleg met de betrokken belanghebbende de omvang, situering en ruimtelijke inrichting, en de landschappelijke inpassing van de paardenhouderij te zijn vastgelegd. PARKEREN Voor het parkeren bij een bedrijfsmatige paardenhouderij moet op eigen terrein worden voorzien in voldoende parkeergelegenheid. Hiervoor wordt verwezen naar het ‘Facetbestemmingsplan Parkeren’ van de gemeente Midden-Groningen. In dit facetbestemmingsplan is aangesloten op de kencijfers van het CROW (meest actuele versie). In de CROW-publicatie zijn alleen parkeernormen voor maneges opgenomen. Hierbij geldt een minimale parkeernorm van 0,3 parkeerplaats en een maximale parkeernorm van 0,5 parkeerplaats per paardenbox. Maneges hebben over het algemeen een grotere verkeersaantrekkende werking dan andere bedrijfsmatige paardenhouderijen. Om te voorzien in voldoende parkeergelegenheid wordt in deze beleidsnotitie uitgegaan van de maximale parkeernorm en wordt deze norm voor alle bedrijfsmatige paardenhouderijen gehanteerd. 3.2Hobbymatig 3.2.1Definitie Alles wat niet als bedrijfsmatig is aan te merken, valt onder de hobbymatige paardenhouderij. Veelal is sprake van een gering aantal paarden (maximaal 5 stuks). Deze paarden worden over het algemeen gehouden bij woningen in het buitengebied of aan de rand van een dorp. Het hobbymatig houden van paarden kenmerkt zich doorgaans door een stal en een paddock en in veel gevallen (wanneer het erf groot genoeg is) ook een paardenbak. Kleinschalige voorzieningen zoals de tijdelijke opslag van ruwvoer en mest en voor het stallen van een paardentrailer of een (kleine)vrachtwagen zijn inbegrepen. Hobbymatig hangt niet alleen samen met het aantal dieren maar ook onder andere met het (ontbreken van) winstoogmerk, de hinder van de activiteit, perceelgrootte en de omgeving waarin de dieren worden gehouden (landelijk of stedelijk gebied). 3.2.2Beoordelingscriteria BESTEMMING Hobbymatige paardenhouderijen zijn toegestaan binnen een woonbestemming. Alle bijbehorende bebouwing en/of voorzieningen dienen binnen het woonperceel te worden opgenomen. Belangrijkste voorwaarde voor hobbymatige paardenhouderijen is het hobbymatige gebruik in combinatie met een woning. De koppeling met een woning is gemaakt om te voorkomen dat op bedrijventerreinen of bij individuele bedrijven paardenbakken voor hobbymatig gebruik worden aangelegd. HINDER Bij het hobbymatig houden van paarden dient het perceel een woonuitstraling te behouden. Om dit te bewerkstelligen, dienen de voorzieningen (zoals stalruimte en een paardenbak) gerealiseerd te worden achter de achtergevel van het woonhuis. Vanuit landschappelijk oogpunt is het niet wenselijk is dat de voorzieningen worden opgericht ver achter de woning. Dat is een belangrijke toevoeging. Gestreefd wordt naar clustering van bebouwing en voorzieningen. De impact van hobbymatige paardenhouderijen is aanzienlijk minder dan die van bedrijfsmatige paardenhouderijen. Hier is geen sprake van een bedrijfsvoering. Bovendien is het aantal paarden gemaximeerd op 5 stuks. De in de voorgaande paragraaf genoemde VNG-notitie gaat bij het vastleggen van de richtafstanden uit van gemiddeld moderne volwaardige bedrijven. Bij hobbymatige paardenhouderijen gaat het om aanzienlijk kleinere activiteiten die moeten passen binnen een woonbestemming. Binnen de woonbestemmingen zijn over het algemeen aan-huis-verbonden beroepen of bedrijven toegestaan in uit de VNG-notitie af te leiden bedrijfscategorie 1. Gemotiveerd kan dan ook voor hobbymatige paardenhouderijen van de genoemde richtafstand van bedrijfsmatige paardenhouderijen met één afstandsstap worden afgeweken. De faciliteiten (mestplaat, paardenbak) van een hobbymatige paardenhouderij dienen op ten minste 30 meter van een woning van derden gesitueerd te zijn. Dit betekent dat 30 meter aangehouden moet worden vanaf het bouwvlak (de uiterste situering van de gevel van een woning) van de woning van derden tot deze faciliteiten. Links: weergave ligging paardenbak op korte afstand achter erf derden Rechts: weergave ligging paardenbak achter eigen erf op minimale afstand van 30 m tot erf van derden. STALRUIMTE Toegestane stalruimte bij een hobbymatige paardenhouderij is maximaal 100 m2 (waarvan 75 m2 voor de stalling van paarden), mits dit de bebouwingsbepalingen uit het bestemmingsplan niet overschrijdt. De minimale afmeting van een paardenbox bedraagt 10 m2 per paard (Gids Goede Praktijken, Sectorraad Paarden 2014). Wanneer de boxen in een bestaande stal worden gebouwd moet rekening worden gehouden met een centrale gang van 3 m breed. Ruimte-voor-ruimte Bij sloop en herbouw (ruimte-voor-ruimte regeling) kan een grotere oppervlakte voor de hobbymatige paardenhouderij (tot maximaal 200 m2) worden toegestaan. In de meeste gevallen zal hierbij een planologische procedure nodig zijn. RUIMTELIJKE KWALITEIT Paardenbak Het toestaan van een paardenbak wordt afhankelijk gesteld van vastgestelde voorwaarden. Locatie Situering achter de achtergevel van het woonhuis; Minimaal 30 meter afstand (rand van paardenbak) tot het bouwvlak van de woning van derden en niet direct grenzend aan de achterzijde van het woonperceel van derden; Om ook het hobbymatig houden van paarden en pony’s ruimtelijk verantwoord te kunnen vormgeven is een minimale omvang van het woonperceel belangrijk. Wanneer de fysieke ruimte ontbreekt worden bebouwing en faciliteiten op een erf ‘gepropt’. Een paardenbak is daarom alleen mogelijk op woonpercelen vanaf 1.500 m2. Ter voorkoming van aantasting van natuur, landschappelijke of cultuurhistorische waarden in open gebied is het niet toegestaan om een paardenbak aan te leggen op een perceel waar geen bestaande bebouwing en/of waar geen bouwvlak is gesitueerd. Hier kan van worden afgeweken door het toestaan van een paardenbak buiten het bouwvlak binnen een straal van 60 meter vanaf het bouwvlak van de woning van de aanvrager. Het is mogelijk om de paardenbak op agrarische grond aangrenzend aan de woonbestemming te realiseren. Hiervoor gelden als aanvullende voorwaarden dat; de paardenbak vanuit landschappelijk oogpunt aanvaardbaar is (Inspiratieboek kleinschalige ingrepen in het Groninger Landschap, Libau, kan hiervoor als leidraad worden genomen); het karakter van het agrarisch gebied moet behouden blijven door de paardenbak niet te voorzien van verharding en een open of transparante omheining toe te passen van maximaal 2 meter hoog. Oppervlakte Maximaal 800 m2 op kleine percelen (>1.500 m2). Een grotere paardenbak is mogelijk, tot maximaal 1200 m2 op grote percelen (> 2.000 m2). Maximaal 1 per woning. Lichtmasten Er mogen maximaal 4 lichtmasten bij een paardenbak tot 800 m2 opgericht worden; Er mogen maximaal 6 lichtmasten bij paardenbak 1.200 m2 opgericht worden; De hoogte van de lichtmasten mag maximaal 6 meter bedragen; Om de hinder voor de omgeving te beperken in de avond- en ochtendperiode is de verlichtingstijd tussen 7.00 uur en 22.00 uur; Lichtmasten uitsluitend gericht op de paardenbak; Lichtmasten schijnen niet in de richting van woningen van derden. Links: erf is groot genoeg voor een grote paardenbak. Aanwezige paardenbak overschrijdt echter de maximale grootte van 1.200 m2 Rechts: een paardenbak is toegestaan op een erf met minimale omvang van 1.500 m2 met een maximale oppervlakte van 850 m2. Met een paardenbak van 500 m2 voldoet het erf hieraan. LANDSCHAPPELIJKE INPASSING Voorzieningen ten behoeve van de hobbymatige paardenhouderij worden geclusterd achter de achtergevel van het woonhuis gerealiseerd. De voorzieningen moeten vanuit landschappelijk oogpunt aanvaardbaar zijn. 3.3Samenvatting Beoordelingscriteria

Rechtspraak bij dit artikel