Deze gemeenschappelijke regeling verstaat onder:
aanvullend openbaar vervoer: het openbaar-vervoervangnet dat wordt ingezet daar waar de vervoervraag te laag is voor het exploiteren van een reguliere lijndienst;
ambtelijk overleg basismobiliteit: een door de deelnemers en de provincie Gelderland ingericht gremium, bestaande uit beleidsambtenaren van de deelnemers en van de provincie Gelderland en de directeur, dat zich bezighoudt met de doorontwikkeling van de basismobiliteit en de advisering over de beheertaken gericht op de kwaliteit en kosten van het vervoersysteem;
basismobiliteit: de mogelijkheid voor burgers om zich zelfstandig en tegen een redelijk tarief te verplaatsen met een vorm van aanvullend openbaar vervoer of het doelgroepenvervoer;
deelnemers: de colleges van burgemeester en wethouders die aan deze regeling deelnemen;
dienstverleningsovereenkomst: een overeenkomst tussen de rechtspersoon van de deelnemer die het aangaat (opdrachtgever) en de bedrijfsvoeringsorganisatie (opdrachtnemer) waarin de afspraken zijn vastgelegd over de uitvoering van de taken bedoeld in artikel 4, eerste lid, onder a, en artikel 5 van de regeling;
directeur: de directeur van de bedrijfsvoeringsorganisatie;
doelgroepenvervoer: de niet-openbare vervoerssystemen waarvoor de deelnemers op grond van specifieke wet- en regelgeving verantwoordelijk zijn; in het kader van deze regeling gaat het om
Leerlingenvervoer op grond van de Wet op het primair onderwijs, Wet op de expertisecentra en de Wet op het voortgezet onderwijs;
vervoer op grond van de Jeugdwet;
vervoer voor dagbesteding en sociaal-recreatief vervoer op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning;
regeling: de Gemeenschappelijke Regeling Basismobiliteit;
wet: de Wet gemeenschappelijke regelingen.
Hoofdstuk 1
Artikel 1
Begripsomschrijvingen
Onderdeel van de Gemeenschappelijke Regeling Basismobiliteit