De omgevingsvergunning, bedoeld in artikel 14, eerste lid, kan door het college worden ingetrokken, voor zover:
de verlening berust op onjuiste of onvolledige gegevens en de juiste of volledige gegevens tot een ander besluit zouden hebben geleid;
veranderde omstandigheden of feiten met betrekking tot de activiteit waarvoor de omgevingsvergunning is verleend, zich in overwegende mate tegen voortzetting of ongewijzigde voortzetting van die activiteit verzetten;
de omstandigheden aan de kant van de vergunninghouder zich zodanig hebben gewijzigd, dat het belang van het gemeentelijk monument zwaarder dient te wegen;
de vergunninghouder de nadere regels als bedoeld in artikel 14, vijfde lid, niet naleeft;
de vergunninghouder daarom heeft verzocht;
gedurende 52 weken na het onherroepelijk worden van de omgevingsvergunning geen handelingen zijn verricht met gebruikmaking van de vergunning.