Naar hoofdinhoud
1.. In de situatie dat er voor een ongewijzigde functie zoals bedoeld in artikel 2:3, lid 1 sub 1 meer kandidaten zijn die hun functie volgen dan dat er functieplaatsen zijn, wordt het afspiegelingsbeginsel voor de groep waartoe de functie behoort gehanteerd, overeenkomstig de bepalingen van het Ontslagbesluit (artikel 4:2 lid 1 en lid 2), en lokale afspraken. 2.. Het afspiegelingsbeginsel, bedoeld in het eerste lid, wordt toegepast per categorie uitwisselbare functies van de ambtelijke organisatie op basis van leeftijdsopbouw binnen de desbetreffende categorie uitwisselbare functies. 3.. De medewerkers in de categorie uitwisselbare functies worden ingedeeld daarbij in de volgende leeftijdsgroepen: van 15 tot 25 jaar, van 25 tot 35 jaar, van 35 tot 45 jaar, van 45 tot 55 jaar en van 55 jaar tot de AOW-gerechtigde leeftijd. 4.. Per categorie als bedoeld in het derde lid, komt de medewerker met de langste diensttijd in aanmerking voor plaatsing in een ongewijzigde functie. 5.. Voor de indeling in de leeftijdsgroepen en de berekening van de diensttijd als bedoeld in het vierde lid, is de leeftijd van de medewerker en de lengte van zijn diensttijd op de ingangsdatum van de organisatiewijziging bepalend. 6.. Bij het afspiegelingsbeginsel, bedoeld in het tweede lid, vindt de verdeling over de leeftijdsgroepen zo plaats, dat de leeftijdsopbouw binnen de categorie uitwisselbare functies voor en na de organisatiewijziging verhoudingsgewijs zoveel mogelijk gelijk is. 7.. Toepassing van het in dit artikel genoemde afspiegelingsbeginsel leidt per groep van uitwisselbare functies tot een rangordening van de medewerkers. Na de plaatsingsfase blijft deze rangordening (plaatsingsvolgorde) gelden voor medewerkers die niet konden worden geplaatst, in geval er binnen een half jaar vacatures ontstaan in de groep van uitwisselbare functies. Plaatsing geschiedt dan bij voorrang volgens het bepaalde in het vierde lid van dit artikel.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel