Het stellen van voorwaarden dient nadelige effecten op leefbaarheid door structurele overlast te voorkomen. Toch kan het voorkomen dat overlast optreedt na het afgeven van een vergunning. Intrekken is een uiterste middel, maar kan nodig blijken als de overlast niet wordt beëindigd.
Voordat Burgemeester en wethouders overgaan tot intrekking van de vergunning wegens een verstoring van een geordend woon- en leefmilieu van het gebouw of de omgeving van het gebouw, moeten zij de verhuurder (en bewoners van het pand) schriftelijk op de hoogte hebben gesteld van de gemelde overlast en hen de gelegenheid hebben geboden om daarop te reageren en om daaraan zelf iets te doen. Eerst hebben bewoners uit de omgeving zelf de overlastveroorzaker geattendeerd op de overlast.
De overlast moet uitstijgen boven overlast die men in een omgeving normaal gesproken van zijn buren dient te tolereren. Dit is in ieder geval zo als de geconstateerde overlast 4 maal of meer in een maand plaatsvindt of maandelijks meer dan een jaar voortduurt. De overlast moet aantoonbaar zijn op grond van objectieve feiten en omstandigheden. Om een mogelijke intrekking te voorkomen zal de verhuurder in ieder geval moeten aantonen welke actie wordt ondernomen en/of reeds ondernomen is.
Indien deze stappen zijn doorlopen en er is geen verbetering is er een basis om een vergunning in te trekken. Het biedt omwonenden houvast om structurele overlast aan te kaarten en tot een einde te brengen.
Artikel 3
Intrekken vergunning
Onderdeel van Beleidsregels omzetten en splitsen zelfstandige woonruimte