Een persoon als omschreven in de onderdelen 5 en 6 van artikel 1, eerste lid, onder g, van de wet kan voor de in artikel 22, onder b, c en d vermelde voorziening in aanmerking worden gebracht wanneer:
aantoonbare beperkingen op grond van ziekte of gebrek het gebruik van een collectief systeem als bedoeld in artikel 22, onder a, onmogelijk maken dan wel
een algemene voorziening als bedoeld in artikel 22, onder a, niet aanwezig is.
Hoofdstuk 5
Artikel 24
Het primaat van het collectief vervoer
Onderdeel van Verordening voorzieningen maatschappelijke ondersteuning 2012