Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk 2

Artikel 2.5

Generiek en gebiedsspecifiek beleid

Onderdeel van Besluit van de gemeenteraad van de gemeente Lelystad houdende regels omtrent het bodembeheer (Nota bodembeheer)

In het generieke kader wordt gebruik gemaakt van een dubbele toetsing voor het vaststellen van de toepassingseisen voor het hergebruik van grond. De aanwezige bodem heeft een bepaalde kwaliteit die valt in één van de drie bodemkwaliteitsklassen ‘achtergrondwaarde’, ‘Wonen’ of ‘Industrie’. De bodemfunctie binnen een deelgebied stelt eisen aan de toe te passen grond, vertaald naar de bodemfunctieklassen ‘Landbouw/Natuur’, ‘Wonen’ en ‘Industrie’. Uiteindelijk bepaalt de strengste van deze twee de toepassingseis in een deelgebied (standstill op klasseniveau). In figuur 2.2 is weergegeven hoe via de dubbele toetsing wordt gekomen tot de toepassingseisen. MW Wonen: maximale waarde Wonen MW Industrie: maximale waarde Industrie Figuur 2.2: Afleiden toepassingseisen in het generieke kader Indien het generieke beleidskader onvoldoende mogelijkheden biedt voor hergebruik van grond, kunnen gemeenten (binnen de regels van het Besluit bodemkwaliteit) gebiedsspecifiek beleid ontwikkelen. Gebiedsspecifiek beleid gaat uit van stand-still op niveau van het beheergebied en is toegespitst op het gewenste hergebruik van grond binnen het eigen beheergebied. Voor de verschillende onderscheiden bodemfuncties kunnen Lokale Maximale Waarden (LMW’s) worden vastgesteld. Deze waarden bevinden zich tussen het niveau van de Achtergrondwaarden en het Saneringscriterium. Ter verduidelijking is in figuur 2.3 de normstelling voor het generieke en het gebiedsspecifieke kader samengevat. Figuur 2.3: Normenstelling voor toepassing van grond of baggerspecie op of in de bodem Het verschil tussen het generieke toepassingskader en het gebiedsspecifieke toepassingskader is dat bij generiek getoetst wordt aan de vereiste kwaliteitsklasse van de ontvangende bodem (zie figuur 2.2), terwijl bij gebiedsspecifiek getoetst wordt aan de vastgestelde lokale maximale waarde (gehalten) van de ontvangende bodem. Deze LMW kunnen gelijk zijn aan de maximale waarden van de functieklasse van de ontvangende bodem, maar dat hoeft niet. Met gebiedsspecifiek beleid kunnen de volgende zaken worden geregeld: het vaststellen van lokale maximale waarden; het vaststellen van een percentage bodemvreemd materiaal dat afwijkt van het percentage dat in het Besluit is opgenomen (20%). De gemeenten van de provinciebrede samenwerking hebben besloten om gebruik te maken van de mogelijkheden die het gebiedsspecifiek beleid biedt, om grondverzet te faciliteren. In hoofdstuk 4 wordt hier nader op ingegaan.

Rechtspraak bij dit artikel