Naast het bieden van begeleiding ter ondersteuning van de zelfredzaamheid van een inwoner, moet de gemeente ook begeleiding bieden ter ondersteuning van de participatie van een inwoner. Onder participatie wordt verstaan de deelname aan het maatschappelijk verkeer 6 Zie artikel 1.1.1 van de Wmo 2015..
Uit de Memorie van Toelichting op de Wmo 2015 7 TK 2013-2014, nr. 33841, nr. 3, p. 123. blijkt, dat deelnemen aan het maatschappelijk verkeer wil zeggen dat iemand, ondanks zijn lichamelijke of geestelijke beperkingen, op gelijke voet met anderen in redelijke mate:
mensen kan ontmoeten;
contacten kan onderhouden;
boodschappen kan doen;
aan maatschappelijke activiteiten kan deelnemen; en
zich kan verplaatsen.
Uitgangspunt is dat mensen in de eerste plaats zelf verantwoordelijk zijn voor hun leven en dus ook voor hun zelfredzaamheid en participatie. Van de inwoner wordt verwacht dat hij eerst zelf en/of samen met zijn omgeving kijkt naar de mogelijkheden tot het verbeteren van zijn situatie.
Het is in onze maatschappij heel normaal dat je je inspant om je eigen situatie te verbeteren of dat je iets doet voor een partner of familielid die niet geheel op eigen kracht kan deelnemen aan de samenleving. De gemeente mag dit ook verwachten en vragen van een inwoner die een beroep doet op de gemeente.
Als de eigen mogelijkheden of het sociaal netwerk onvoldoende oplossingen bieden, kan ondersteuning van de gemeente nodig zijn.
Aanvaardbaar niveau van zelfredzaamheid en participatie
Het streven is om de inwoner op het niveau van participatie en zelfredzaamheid te brengen dat bij zijn situatie past. Daarbij is van belang, de situatie van hem voordat hij getroffen werd door zijn beperkingen alsmede de situatie van personen in vergelijkbare omstandigheden en in dezelfde leeftijdscategorie die geen beperkingen hebben.
Aanvaardbaar wil aan de andere kant zeggen, dat de inwoner zich er soms bij neer moet leggen dat er belemmeringen blijven, of dat hij zich enige beperkingen zal moeten getroosten. De ondersteuning beperkt zich in die zin tot wat noodzakelijk is in het licht van zelfredzaamheid en participatie. Deze breidt zich niet uit tot wat de persoon noodzakelijk vindt in het kader van smaak of betekent niet per definitie dat hij alle hobby’s moet kunnen uitoefenen die hij voorheen uitoefende.
Kortom er is een grens aan de in te zetten ondersteuning door de gemeente.
Dit blijkt ook uit de hierboven aangehaalde tekst uit de Memorie van Toelichting op de Wmo 2015 over participatie en de termen “op gelijke voet met anderen” en “in redelijke mate”.
Op gelijke voet met anderen
De uitleg die gegeven kan worden aan het begrip "op gelijke voet met anderen" is de situatie van personen in vergelijkbare omstandigheden en in dezelfde leeftijdscategorie die geen beperkingen hebben.
In redelijke mate
Uit de Memorie van Toelichting op artikel 2.3.5, derde en vierde lid van de Wmo 2015 blijkt: "De verplichting om een maatwerkvoorziening te verstrekken, gaat niet zo ver dat de aanvrager in exact dezelfde of wellicht zelfs betere positie wordt gebracht dan waarin hij verkeerde voor hij de ondersteuning nodig had. De gevraagde ondersteuning dient in een redelijke verhouding te staan tot wat de situatie van de aanvrager was voor hij ondersteuning nodig had." 8 Zie kamerstukken II, 2013/14, nr. 33841, nr. 3, blz. 149 en 150.
Verder blijkt uit de jurisprudentie, dat niet alle wensen van een inwoner voor vervulling in aanmerking dienen te komen, maar slechts een zodanig aantal, dat nog gezegd kan worden dat een inwoner – van wie in redelijkheid kan worden gevergd dat hij zich zekere beperkingen getroost en keuzen maakt – binnen het naaste woon- en leefmilieu nog in aanvaardbare mate kan deelnemen aan het leven van alle dag.
Artikel 5.
Aanvaardbare maatschappelijke participatie
Onderdeel van Beleidsregels begeleiding: ondersteuningsbehoeften Wmo 2015