Zoals uit het voorgaande volgt is het beleid dus geschreven voor de vergunningplichtige zonnepanelen en – collectoren in de beschermde dorpsgezichten en voor vergunningplichtige zonnepanelen op de grond. Het beleid kan dus tevens van toepassing worden verklaard op een monument op advies van de stadbouwmeester en/of de monumentendeskundige.
In dat geval wordt getoetst aan het bestemmingsplan en aan de Welstandsnota.
Gelet op het feit dat het van toepassing zijnde bestemmingsplan “Beschermd Dorpsgezicht Mijnkoloniën Brunssum” vrij recent is vastgesteld, is in bepaalde mate aansluiting gezocht bij de gebiedstyperingen in dat bestemmingsplan.
Relevant hierbij is dat de panden in een aangewezen stads- of dorpsgezicht een andere status hebben dan aangewezen monumenten. Bij de aanwijzing van een monument gaat het immers om de karakteristiek / monumentale waarde van het pand zelf en bij de aanwijzing van een beschermd stads- of dorpsgezicht gaat het om een bepaalde karakteristieke waarde van een gebied, zoals een woningtypologie, een straat, een plein, een groenvoorziening, tuinmuur of iets dergelijks. Dit betekent dat niet een afzonderlijk pand centraal staat, maar de uitstraling van een gebied.
Waardevolle en minder waardevolle gebieden en panden
Het beschermde dorpsgezicht van Brunssum is een aaneengesloten gebied. Dit maakt dat er delen zijn met een hogere beschermingsgraad en delen met een minder hoog beschermingsniveau.
Locaties en gebouwen die meer beschermd zijn, zijn in het bestemmingsplan aangeduid als ‘specifieke bouwaanduiding – karakteristieke bouwstijl mijnkolonie’ en / of ‘waarde Cultuurhistorische elementen’. Het betreft hier veelal locaties waar de waarden uit het mijnverleden nog goed behouden zijn gebleven, zoals kenmerkende gevels, daken, tuinmuurtjes of een authentiek straatpatroon, pleinvorming of specifieke groenelementen.
Binnen het aangewezen gebied zijn echter ook locaties die minder waardevol zijn en die soms ‘meer toevallig’ binnen het aangewezen gebied gelegen zijn. Het betreft hier veelal gebouwen die niet middenin de mijnwijken zijn gelegen, maar bijvoorbeeld aan de rand daarvan of (nieuwbouw)woningen die ook in reguliere woonwijken voorkomen (bijvoorbeeld woningen aan de Prins Hendriklaan, Rimburgerweg, Venweg, Wenckebachstraat, etc…).
Deze gebieden zijn in het bestemmingsplan niet nader aangeduid. Uit het bestemmingsplan volgt dat met name de panden en/of straten van (ongeveer) na 1970 niet nader zijn aangeduid en dus op basis van het bestemmingsplan als minder waardevol zijn aangemerkt.
Derhalve is ervoor gekozen om in dit beleid een onderscheid te maken tussen panden vóór (omstreeks) 1970 en na (omstreeks) 1970. Het betreft hier geen harde scheidslijn, maar een indicatie van locaties die meer of minder beschermd moeten worden. Bij twijfel (bijvoorbeeld indien de aanvraag betrekking heeft op een pand uit 1969) wordt het bestemmingsplan geraadpleegd. Indien het pand is aangeduid als ‘specifieke bouwaanduiding – karakteristieke bouwstijl mijnkolonie’ en / of gelegen is aan een gebied dat is aangeduid als ‘waarde Cultuurhistorische elementen’, dan geldt het strengere regime voor panden vóór 1970 en anders wordt het plaatsen van zonnepanelen onderworpen aan het minder strenge regime.
Ligging voor-, zij- of achterzijde pand
In beginsel is op verzoek van de stadsbouwmeester en monumentendeskundige geen onderscheid gemaakt tussen de voorzijde, zijzijde en achterzijde van panden (die aan openbaar toegankelijk gebied gelegen zijn). Beiden zijn van mening dat ook het openbare gebied gelegen aan de achterzijde onderdeel uitmaakt van het beschermde gebied.
De ingestelde raadswerkgroep is van mening dat de achterpaden eigenlijk alleen bezocht worden door omwonenden, omdat het hier geen doorgaande weg betreft. Het heeft stedenbouwkundig bezien dus een andere waarde dan een openbaar gebied dat door eenieder (kan) worden gebruikt. Derhalve heeft de raadswerkgroep geadviseerd om voor zonnepanelen aan de achterzijde geen nadere randvoorwaarden te stellen indien daar slechts sprake is van een achterpad dat nagenoeg alleen door omwonenden wordt gebruikt ofwel slechts beperkt gebruikt wordt. Dit geldt dan uiteraard ook voor de zijzijde van een pand.
Indien aan de achter- of zijzijde openbaar gebied is gelegen dat door eenieder is te gebruiken, zoals bijvoorbeeld een openbare groenvoorziening, de doorgaande openbare weg, een parkeerterrein, water, e.d. dan worden wel nadere voorwaarden gesteld.
Ligging op hellende daken, platte daken en op de grond
Verder is een onderscheid gemaakt tussen zonnepanelen op schuine daken en op platte daken en volledigheidshalve is nog beleid toegevoegd m.b.t. de plaatsing van zonnepanelen op stellages in de tuin.
Sneltoetscriteria
De beleidsregels zijn geformuleerd als sneltoetscriteria die toegevoegd worden aan de Welstandsnota. Op basis van de sneltoetscriteria wordt een aanvraag om een omgevingsvergunning voor de plaatsing van zonnepanelen / -collectoren beoordeeld en vindt zonder tussenkomst van de stadsbouwmeester / monumentendeskundige de besluitvorming plaats. Bij twijfel of in de gevallen dat dit beleid niet van toepassing is wordt de omgevingsvergunningaanvraag aan de stadsbouwmeester / monumentendeskundige voorgelegd.
Hoofdstuk 3.
Artikel 3.2