Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk 3

Artikel 8

Weigeringsgronden subsidies

Onderdeel van Algemene Subsidieverordening (ASV) gemeente Utrecht

De subsidie kan naast de in artikel 4:25 en artikel 4:35 van de Awb genoemde gevallen (gedeeltelijk) worden geweigerd, als: 1. gegronde reden bestaat om aan te nemen dat: a. de activiteiten waarvoor subsidie wordt aangevraagd niet gericht zijn op de gemeente Utrecht of niet aanwijsbaar ten goede komen aan de inwoners van de gemeente Utrecht; b. de activiteiten waarvoor subsidie wordt aangevraagd in onvoldoende mate bijdragen aan de doeleinden waarvoor subsidiegelden beschikbaar worden gesteld; c. de subsidiegelden niet of in onvoldoende mate worden besteed aan de activiteiten waarvoor de subsidie beschikbaar wordt gesteld; d. de aanvrager doelstellingen beoogt of activiteiten ontplooit die in strijd zijn met wettelijke bepalingen, het algemeen belang, de openbare orde of het beleid van de gemeente Utrecht; e. de subsidie niet nodig is om de kosten van de activiteiten te dekken, omdat de aanvrager zonder de subsidie al voldoende eigen middelen of middelen van derden ter beschikking heeft of kan hebben; daaronder valt ook een redelijke verhoging van de eigen bijdrage van de deelnemers; f. de gevraagde subsidie hoger is dan passend voor de beoogde activiteiten; g. het verstrekken van subsidie niet past binnen het beleid van de gemeente Utrecht; h. de financiële continuïteit of de continuïteit van de bedrijfsvoering van de aanvrager onzeker is; i. een doublure ontstaat met activiteiten waarvoor de gemeente Utrecht al subsidie verstrekt; j. de aanvraag of de aanvrager niet voldoet aan het bepaalde in deze verordening of in nadere regels; k. het verstrekken van subsidie in strijd is met het (Europese) recht; l. er conform artikel 3 van de Wet bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur een grond is om de subsidie te weigeren; m. er conform artikel 1, vierde lid sub (b) Algemene Groepsvrijstellingsverordening EU nr. 651/2014 een bevel tot terugvordering uitstaat als gevolg van een eerder besluit van de Europese Commissie waarbij steun onrechtmatig en onverenigbaar met de interne markt is verklaard; n. de structuur en de bedrijfsvoering van de organisatie onvoldoende garanties biedt voor een goed bestuur, dan wel dat het voorkomen van belangenverstrengeling onvoldoende geborgd is; de beoordeling vindt plaats op basis van de gestelde eisen in artikel 15, eerste lid.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel