Naar hoofdinhoud
Het regionaal uitgangspunt bij dit VTH-beleid is dat kansen zoveel mogelijk benut moeten kunnen worden en ook dat dilemma’s vermeden en opgelost moeten worden. Dit betekent dat de OD prestatiegericht werkt en daarbij beleidssensitief te werk gaat. Het gaat tevens om het bereiken van zoveel mogelijk spontane naleving. Om de bestaande kans op overtredingen en klachten te laten afnemen, werkt de OD NZKG met een prestatiegerichte benadering. Die is uitgewerkt in het uniform uitvoeringsniveau (UUN) met risicogerichte werkniveaus. Daarop aansluitend wordt met behulp van de methodiek van de prestatiegerichte financiering (PGF) transparant en eenduidig bepaald welke producten en diensten tegen welke prijs en kwaliteit door de OD NZKG worden geleverd. Daarbij worden doordachte prioriteiten gesteld, bij wijze van bestuurlijke keuze, in wat wel en niet gedaan wordt en hoe dat wordt uitgevoerd, omdat het onmogelijk is om in onze samenleving alle risico’s uit te sluiten. Niet alle risico’s zijn te voorkomen door middel van vergunningverlening of door toezicht en handhaving, niet elk detail van een vergunningaanvraag kan diepgaand worden getoetst, net zo min als het mogelijk is om overal en altijd aanwezig te zijn om toezicht te houden op de naleving van wet- en regelgeving. Voor het uitvoeren van de risicoanalyse wordt gebruik gemaakt van het landelijk risicomodel. De ongewenste gevolgen van een activiteit (het negatieve effect) zijn verbonden met de kans dat deze zich bij niet naleven van de wet- en regelgeving zullen voordoen. Daarbij is, waar nodig, rekening gehouden met het gegeven dat een beoordeling verschillend kan zijn voor standaardsituaties, complexe gevallen en unieke opgaven. Dit model gaat uit van de volgende definitie: Risico = negatief effect x de kans dat dit effect voorkomt Gelet op de betrokken belangen wordt vooraf tevens bepaald wat de mogelijke impact is van een niet-naleving. Die “mogelijke impact” wil zeggen dat een te controleren situatie (inrichting, project, activiteit, gebeurtenis) vooraf wordt ingeschat op de relevantie van een potentiële overtreding. Die relevantie is vervolgens weer mede bepalend voor de mate van toezicht die in het uitvoeringsprogramma (VTHUP) wordt voorzien en voor de intensiteit (zwaarte) van de handhavingsreactie op een feitelijke overtreding. Deze risicomethodiek wordt gebruikt om per situatie te bepalen wat het risico is voor de fysieke leefomgeving. Hierin spelen de volgende vragen een rol: In welke mate is te verwachten dat de regels spontaan worden nageleefd? Hoe ernstig is het als een regel niet wordt nageleefd? Leidt een niet-naleving tot klachten in de omgeving? Wat is de houding van een bedrijf/de burger tegenover (onder andere) de gestelde regels? Hoe is de heersende cultuur bij een vergunninghouder ten opzichte van de gewenste situatie? Hoe principieel is de na te leven regel: vereist overtreding van de regel een intensieve bestuursrechtelijke interventie of een procesmatige oplossingsgerichte reactie? Wat is de bestuurlijke en strafrechtelijke prioriteit m.b.t. de leefomgeving en het naleefgedrag? Voor vergunningverlening wordt nog niet over de hele linie met deze risicomethodiek gewerkt; wel kan het aanleiding of input zijn bij de afweging voor actualiseren van vergunningen. De informatie uit de risicoanalyse wordt jaarlijks gebruikt bij het opstellen van het VTHUP (zie § 1.2 van dit beleid). De risicoanalyse wordt dus jaarlijks geüpdatet op het niveau van de uitvoering en mede op basis van deze risicoanalyse worden voor het betreffende jaar de prioriteiten bepaald. Deze prioritering op basis van de risicoanalyse betekent niet dat er voor het bestuur geen keuzevrijheid meer bestaat; wel heeft het maken van andere keuzes gevolgen voor de beschikbare capaciteit. Dit zorgt voor uniformiteit in de uitvoering van VTH en voor een koppeling aan de beschikbare capaciteit en middelen bij de OD NZKG voor de werkzaamheden op het gebied van vergunningverlening, toezicht en handhaving. In de VTHUP’s worden in dat kader concrete afspraken gemaakt over de uitvoering, zoals de wijze waarop spontane naleving wordt bevorderd, de frequentie en intensiteit van het toezicht, de aard van eventuele interventies en de manier waarop het naleefgedrag wordt gemonitord. De resultaten van de programma’s worden teruggekoppeld in jaarlijkse rapportages. In ieder VTHUP wordt concreet en in detail beschreven wat de analyse is van problemen en risico’s. Dat wordt uitgewerkt voor de werkvelden milieu, bouw en bodem, waarbij ook wordt aangegeven welke extra inzet wordt gepleegd of welke urgentie er is vanwege de impact op de doelen en risico’s bij die specifieke deelnemer in relatie tot de ambities voor het Noordzeekanaalgebied. Op deze manier wordt in het VTHUP van iedere deelnemer het VTH-beleid concreet uitgewerkt voor de drie werkvelden, aan de hand van de volgende vier paragrafen per werkveld: Relevant kader. Trends, analyses en ontwikkelingen. Uitvoeringsprioriteiten. Planning van de uitvoering (vergunningen, controles).

Rechtspraak bij dit artikel