Naar hoofdinhoud
Waar gaat het om? In het bestuursrecht geldt dat het bevoegd gezag in principe gebruik moet maken van de bevoegdheid om handhavend op te treden. Dit wordt de “beginselplicht tot handhaving” genoemd. De reden voor deze beginselplicht tot handhaving is dat het uitblijven van handhaving bij een overtreding ten koste gaat van de geloofwaardigheid van het openbaar bestuur, van het vertrouwen tussen de betrokkenen en ook van het functioneren van de rechtsstaat. Niet handhaven kan bovendien rechtsongelijkheid scheppen binnen of buiten het Noordzeekanaalgebied, wat niet gewenst is vanwege het principe van een gelijk speelveld. Deze handhavingsstrategie geeft antwoord op de vraag: welke keuzes maakt het bevoegd gezag vanwege de beginselplicht tot handhaving? De functie van handhaving is het voorkomen en opheffen van een niet naleving van wet- en regelgeving en het niet nakomen van afspraken. Handhaving is het verlengstuk van regulering. De basis van handhaving is – net als bij regulering – de eigen verantwoordelijkheid van degene die een regel moet naleven. Bovendien wordt uitgegaan van de zelfredzaamheid van burgers en bedrijven, om in hun situatie naar een (minnelijke) oplossing te streven als sprake is van niet-naleving door anderen. Een bestuursrechtelijke interventie vindt plaats als door toezicht – op locatie, in de keten of in administratieve systemen – blijkt dat niet goed wordt nageleefd en de eigen verantwoordelijkheid niet wordt waargemaakt. Onderdeel van de zelfredzaamheid van burgers en bedrijven is dat zij door klachten of signaleringen meehelpen met het handhaven van de orde. Handhaving is gericht op het doen naleven van regels en afspraken, met het oog op het bereiken van de gestelde doelen, het bevorderen van de naleving van regels en het versterken de eigen verantwoordelijkheid. Wat is de strategie? In geval van een geconstateerde overtreding geldt de beginselplicht tot handhaving. Daarbij krijgen gelijke gevallen een gelijke behandeling, waarbij sprake kan zijn van programmatische keuzes ten aanzien van doelgroepen en beleidsthema’s, met oog voor een verschillende inzet bij standaardsituaties, complexe gevallen en unieke situaties. De handhavingsstrategie is bepalend voor de keus welk handhavingsinstrument het beste kan worden ingezet, op basis van naleefgedrag en het effect (impact) van de niet-naleving. Het uitgangspunt van handhaving is dat overtredingen ongedaan moeten worden gemaakt en dat nadelige gevolgen hiervan moeten worden opgeheven en eventueel gecompenseerd. De strategie die hierbij wordt toegepast in het Noordzeekanaalgebied gaat uit van de Landelijke Handhavingsstrategie (LHS): Landelijke handhaving strategie ‘Een passende interventie bij iedere bevinding’ (2014) Landelijke handhaving strategie Brzo 1999 (2013), ook van kracht voor Brzo 2015. Het overnemen en invoeren van de LHS is onderdeel van de vigerende kwaliteitscriteria voor de Wabo-bevoegde overheden. De LHS ziet op alle onder de Wabo vallende regelgeving en bestrijkt daarmee nagenoeg alle activiteiten in het werkveld van de OD NZKG, zoals milieu, bouw en bodem 15 LHS is in de regel toepasbaar. Er bestaan uitzonderingen, zoals voor luchtvaart. Voor deze uitzonderingen worden aparte afspraken gemaakt. . De ketenpartners waarmee vaak wordt samengewerkt worden geacht ook met dit kader te werken. Voor inrichtingen die vallen onder het Brzo is landelijke een aparte handhavingsstrategie vastgesteld, waaraan de OD NZKG en haar provinciale opdrachtgevers (Noord-Holland, Flevoland en Utrecht) zich hebben gecommitteerd. Deze strategie is in eerste instantie opgesteld voor Brzo 1999, maar wordt ook gevolgd voor alle overtredingen die begaan worden onder het later van kracht Brzo 2015. Bij systeemtoezicht wordt onder voorwaarden afgeweken van de LHS. Dit is het geval als het bedrijf zelf een overtreding constateert en zelf afdoende maatregelen neemt voor het herstel en voorkoming van herhaling. In dat geval is het doel van het bestuursrechtelijk optreden al bereikt en kan het achterwege blijven. Ook moeten overheden aangeven hoe wordt opgetreden tegen overtredingen van regels die begaan zijn door of in naam van het bestuursorgaan of andere organen van de overheid. Ook de LHS erkent dat er omstandigheden kunnen zijn om van (bestuursrechtelijk) handhaven af te zien. Daarom wordt in paragraaf 6.3.4 ingegaan op de gedoogstrategie. Methodiek van handhaving De strategie gaat uit van klassiek bestuurlijk toezicht (zie de meer specifieke “toezichtsstrategie” in § 6.3.1) en van het opleggen van corrigerende en soms ook bestraffende sancties vanwege overtredingen (zie de meer specifieke “sanctiestrategie” § 6.3.3). Daarnaast is bij voorkeur ook sprake van eigen handhavingsinspanningen door de betrokkenen bij een initiatief, activiteit of ontwikkeling: de overheid kan niet alles handhaven en van die betrokkenen mag worden geëist dat zij het ook niet op die handhaving willen laten aankomen. Voor inrichtingen die vallen onder het Brzo is landelijk een aparte handhavingsstrategie vastgesteld, waaraan de OD NZKG en haar provinciale opdrachtgevers (Noord-Holland, Flevoland en Utrecht) zich hebben gecommitteerd. Deze strategie is in eerste instantie opgesteld voor Brzo 1999, maar wordt ook gevolgd voor alle overtredingen die begaan worden onder het later van kracht geworden Brzo 2015. Ontwikkelingen Geen bijzonderheden. Monitoring In deze beleidsperiode wordt het meten en monitoren van de handhavingsstrategie verbeterd. Een aantal indicatoren zijn nu al wel te formuleren, gelijk aan de toezichtindicatoren: het aantal constateringen van overtredingen, gedragsaspecten, zwaarte overtreding en ingezet instrument

Rechtspraak bij dit artikel