Naar hoofdinhoud
1.. Uittreding is niet mogelijk binnen vijf kalenderjaren nadat de regeling is getroffen onderscheidenlijk binnen vijf kalenderjaren na toetreding, voor zover het de toetreder betreft. 2.. Indien de regeling slechts twee colleges als deelnemers heeft, wordt een verzoek tot uittreding beschouwd als verzoek tot opheffing conform artikel 43. 3.. Het college dat voornemens is uit te treden, maakt dit schriftelijk kenbaar aan het algemeen bestuur. Het algemeen bestuur zendt het voornemen onverwijld door aan de overige colleges. 4.. Het algemeen bestuur stelt een voorstel op voor de financiële, personele en overige gevolgen van de voorgenomen uittreding voor de Uitvoeringsorganisatie Breedbandnetwerk Rivierenland. De kosten voor het maken van het voorstel komen voor rekening van het college dat voornemens is uit te treden. 5.. Tot het voorstel bedoeld in het vierde lid behoort in ieder geval de verplichting dat de beoogd uittreder het bedrag waarvoor het garant staat, bedoeld in artikel 23, tweede lid, volledig zal voldoen aan de Uitvoeringsorganisatie Breedbandnetwerk Rivierenland. Eventuele gunstige financiële vooruitzichten voor de Uitvoeringsorganisatie Breedbandnetwerk Rivierenland doen niets af aan de verplichting bedoeld in de eerste volzin. 6.. Het college dat voornemens is uit te treden neemt op basis van het voorstel, bedoeld in het vierde lid, een definitief besluit, onverminderd het bepaalde in artikel 1, tweede en derde lid, van de wet. De uittreding geschiedt per 1 januari van enig kalenderjaar met inachtneming van een opzegtermijn van tenminste een vol kalenderjaar. 7.. De gevolgen van de uittreding worden, op basis van het voorstel, bedoeld in het vierde lid, bij gelijkluidend besluit vastgesteld door de colleges.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel