Voor de toepassing van deze verordening wordt als één perceel aangemerkt:

  • - de onroerende zaak, bedoeld in hoofdstuk III Wet waardering onroerende zaken;
  • - een binnen de gemeente gelegen roerende zaak, die duurzaam aan een plaats is gebonden;
  • - een gedeelte van een roerende zaak, die duurzaam aan een plaats is gebonden dat blijkens zijn indeling is bestemd om als afzonderlijk geheel te worden gebruikt;
  • - een samenstel van twee of meer roerende zaken, die duurzaam aan een plaats zijn gebonden of in onderdeel c bedoelde gedeelten daarvan die bij dezelfde belastingplichtige in gebruik zijn en, naar de omstandigheden beoordeeld, bij elkaar behoren.
  • - het binnen de gemeente gelegen deel van de in onderdeel b bedoelde roerende zaak, van een in onderdeel c bedoeld gedeelte daarvan of van een in onderdeel d bedoeld samenstel.