Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk 2. › Paragraaf 2.1

Artikel 10.

Algemene uitgangspunten

Onderdeel van Sociaal statuut De Fryske Marren

Het realiseren van een plaatsing is een gezamenlijke verantwoordelijkheid en inspanning van zowel de werkgever als de medewerker. Het plaatsingsproces dient zorgvuldig en transparant te zijn. Bij een organisatiewijziging geldt ten aanzien van de plaatsing van medewerkers het uitgangspunt “mens-volgt-werk”. Dit houdt in dat de medewerker in principe wordt geplaatst in een ongewijzigde functie. Indien er meerdere kandidaten zijn voor een ongewijzigde, passende of geschikte functie wordt de kandidaat die het meest voldoet aan de gestelde functie-eisen geplaatst. Bij het nemen van besluiten als bedoeld in lid 4 wordt met de volgende gegevens rekening gehouden: de geschiktheid van de medewerker voor een functie, zoals blijkt uit de persoonlijkheid, opleidings- en ervaringsgegevens, beoordelings- en ontwikkelgesprekken en eventuele geschiktheidstesten; de voorkeur van de medewerker voor bepaalde functies, zoals ingevuld op het belangstellingsformulier. De medewerker is verplicht om mee te werken aan gesprekken en testen die nodig zijn voor het verzamelen van gegevens zoals genoemd onder sub a. De kosten van eventuele tests zijn voor rekening van de werkgever. De werkgever spant zich tot het uiterste in om de medewerker die niet in een ongewijzigde functie kan worden geplaatst, in een passende of geschikte functie te plaatsen. In geval van het niet kunnen plaatsen van een medewerker in een passende of geschikte functie, wordt in beginsel de individuele rechtspositie van de medewerker gegarandeerd door een bovenformatieve plaatsing. Eventueel gedwongen ontslag behoort uitsluitend tot de mogelijkheden, indien na het VWNW-traject niet mogelijk blijkt de medewerker te plaatsen, waarbij uitvoering wordt gegeven aan hoofdstuk 10d CAR/UWO binnen de hierin gestelde termijnen.

Rechtspraak bij dit artikel