Naar hoofdinhoud

HOOFDSTUK 3 › Paragraaf 3.1

Artikel 10.

Aflossingscapaciteit bij uitstroom uit de uitkering en bij debiteuren die geen recht hebben op een uitkering

Onderdeel van Besluit van burgemeester en wethouders van de gemeente Barneveld tot vaststelling van de Beleidsregels terugvordering PW, IOAW/IOAZ en Bbz gemeente Barneveld

1.. Na beëindiging van de uitkering blijft, in geval van een lening waarop reeds werd afgelost, de aflossingscapaciteit, zoals vastgesteld op grond van artikel 9, ongewijzigd. 2.. Na beëindiging van de uitkering bedraagt in geval van een bestaande vordering waarop reeds werd afgelost, de aflossingscapaciteit met ingang van de eerste kalendermaand na de maand waarin de uitkering is beëindigd, de conform artikel 9 vastgestelde aflossingscapaciteit vermeerderd met: 75% van het inkomen inclusief vakantiegeld dat de van toepassing zijnde bijstandsnorm overschrijdt als sprake is van een fraudevordering, een vordering voortvloeiende uit een opgelegde bestuurlijke boete of maatregel; 50% van het inkomen inclusief vakantiegeld dat de van toepassing zijnde bijstandsnorm overschrijdt in geval van overige vorderingen en leningen. 3.. Als ten gevolge van de intrekking en/of beëindiging van de uitkering een vordering ontstaat, dan wordt de aflossingscapaciteit vastgesteld conform lid 2. 4.. Als na de periode van uitkeringsverstrekking een vordering ontstaat en er nog geen aflossingscapaciteit vastgesteld is, dan wordt die vastgesteld conform lid 2.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel