**1..** In afwijking van artikel 58 lid 1 PW besluit het college ambtshalve dan wel op schriftelijk verzoek van een belanghebbende tot kwijtschelding van de (resterende) fraudevordering, voor zover de hoofdsom van de vordering minder dan € 50.000,00 bedraagt en belanghebbende:
gedurende 180 al dan niet aaneengesloten maandtermijnen volledig aan zijn betalingsverplichtingen heeft voldaan;
gedurende 180 aaneengesloten maanden niet volledig aan zijn betalingsverplichtingen heeft voldaan, maar het achterstallige bedrag over die periode, vermeerderd met de eventueel daarover verschuldigde wettelijke rente en de op de invordering betrekking hebbende kosten alsnog heeft betaald;
een bedrag, overeenkomend met ten minste 75% van de restsom, vermeerderd met de daarover eventueel verschuldigde wettelijke rente en de op de invordering betrekking hebbende kosten, in één keer betaalt;
gedurende 180 aaneengesloten maanden geen betalingen heeft verricht en niet aannemelijk is dat hij deze op enig moment zal gaan verrichten.
**2..** Bij fraudevorderingen van € 50.000,00 en meer moet voor de in het voorgaande lid vermelde termijn van 180 maanden worden gelezen: 240 maanden.
**3..** Voor de in het eerste lid genoemde termijn van 180 maanden moet 120 maanden worden gelezen en voor de in het tweede lid genoemde termijn van 240 maanden moet 180 maanden worden gelezen als het gemiddelde inkomen van de belanghebbende in die periode de beslagvrije voet als bedoeld in artikel 475d Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering niet te boven is gegaan, waarbij voor het in dat artikel telkens vermelde percentage van 90% gelezen moet worden: 95%.
HOOFDSTUK 4 › Paragraaf 4.3
Artikel 30.