Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk 5: › Hoofdstuk 6:

Artikel 49:

Uittreding

Onderdeel van Gemeenschappelijke regeling Belastingsamenwerking gemeenten en hoogheemraadschap Utrecht 2020

1.. Voor uittreding uit de regeling wordt een opzegtermijn van ten minste één jaar in acht genomen. Gedurende drie jaar na de datum van toetreding tot de regeling is uittreding niet mogelijk. 2.. Het voornemen tot uittreding wordt door het betreffende college bij aangetekende kennisgeving aan het bestuur van het samenwerkingsverband meegedeeld. 3.. Na ontvangst van de in het tweede lid vermelde kennisgeving wordt een in overleg met de uittredende deelnemer aan te wijzen onafhankelijke derde opdracht verleend een uittredingsplan op te stellen als ware tot opheffing van de regeling besloten. 4.. Op grond van het in het derde lid opgestelde uittredingsplan besluit het college dat een kennisgeving als bedoeld in het tweede lid heeft gedaan of daadwerkelijk tot uittreding wordt overgegaan. Het college besluit hier niet toe dan nadat het toestemming van zijn vertegenwoordigend orgaan heeft gekregen als bedoeld in artikel 61, tweede lid, van de Wet gemeenschappelijke regelingen. Het college zendt zijn besluit tot uittreding, alsmede het toestemmingsbesluit van het vertegenwoordigend orgaan, aan het bestuur. De procedure voor uittreding vangt aan de dag nadat het bestuur de besluiten heeft ontvangen. 5. . Ter voorbereiding op de besluitvorming van het bestuur, inventariseert het bestuur met inachtneming van het bepaalde in deze regeling de gevolgen van de uittreding, de wijze waarop met deze gevolgen kan of moet worden omgegaan en de voorwaarden voor uittreding en legt deze vast in een concept-uittredingsplan. Onder de gevolgen van de uittreding worden verstaan de financiële, juridische, personele en organisatorische consequenties die het directe gevolg zijn van de uittreding. 6. . De vertegenwoordiger van de uittredende deelnemer in het bestuur houdt gedurende de periode van het besluit tot uittreding tot de daadwerkelijke uittreding bij de beraadslaging in en besluitvorming door het bestuur rekening met de belangen van het samenwerkingsverband zoals deze zich kunnen voordoen vanaf het moment van daadwerkelijke uittreding. Indien nodig neemt deze vertegenwoordiger geen deel aan de beraadslaging en stemmingen van het bestuur. 7. . Indien de uittreding een wijziging van de gemeenschappelijke regeling noodzakelijk maakt, stelt het bestuur, ter voorbereiding op zijn besluitvorming, een voorstel op voor wijziging van deze regeling. Artikel 50 is onverkort van toepassing.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel