1.
De aanvraag van een huisvestingsvergunning wordt ingediend bij burgemeester en wethouders door inlevering van het ingevulde 'aanvraagformulier huisvestingsvergunning" met de daarop vermelde gegevens en bewijsstukken.
2.
Burgemeester en wethouders besluiten de aanvraag niet verder te behandelen, indien de aanvrager niet aannemelijk kan maken dat hij, indien hij een huisvestingsvergunning voor de in de aanvraag aangegeven woonruimte krijgt, die woonruimte ook daadwerkelijk in gebruik zal kunnen nemen, een en ander echter met uitzondering van de gevallen, genoemd in artikel 23, lid 3, van de wet (medehuurderschap).
De tekst van artikel 23, lid 3, van de wet luidt:
Een bepaling als bedoeld in het tweede lid, blijft buiten toepassing, indien de aanvraag is gedaan met het oog op het bepaalde in artikel 1 623h, zesde lid, 1623i. derde lid, of 1623l. eerste lid, van Boek 7A van het Burgerlijk Wetboek,
3.
Op of bij de huisvestingsvergunning vermelden burgemeester en wethouders de volgende informatie:
de mededeling dat binnen twee maanden na de datum waarop de vergunning wordt afgegeven, of wel waarop de woonruimte voor bewoning beschikbaar is, van de huisvestingsvergunning gebruik moet worden gemaakt;
de namen van de personen die als vergunninghouder worden aangemerkt;
het aantal personen dat de woonruimte in gebruik neemt.
HOOFDSTUK 2 › Paragraaf 2.3
Artikel 2.3.2
Aanvragen van een huisvestingsvergunning
Onderdeel van Huisvestingsverordening 1994