1.
Burgemeester en wethouders verlenen, met inachtneming van de volgorde als bepaald in paragraaf 2.7, de huisvestingsvergunning, indien aan de volgende voorwaarden wordt voldaan:
a.
het huishouden dat de huisvestingsvergunning aanvraagt behoort tot de ingevolge paragraaf 2.2 aangewezen categorieën van woningzoekenden die voor het verkrijgen van een huisvestingsvergunning in aanmerking komen.
b.
de woonruimte wordt met toepassing van het bepaalde in para¬graaf 2.4 passend geacht voor het huishouden dat de huisvestingsvergunning aanvraagt;
c.
Burgemeester en wethouders verlenen de huisvestingsvergunning, indien het inkomen van het huishouden in redelijke verhouding tot de huurprijs van de woning staat. Bij het verlenen van de huisvestingsvergunning voor het in gebruik nemen van woningen met een rekenhuur als bedoeld in artikel 5 van de Huursubsidiewet (HSW), die gelijk is of lager is dan de aftoppingsgrens, bedoeld in artikel 20, tweede lid van de HSW, wordt zoveel mogelijk voorrang verleend aan woningzoekenden die een zodanig rekeninkomen als bedoeld in artikel 3 van de HSW genieten, dat zij een beroep kunnen doen op de huursubsidie in de zin van artikel 1, onderdeel e van de HSW. Bij de bepaling van dit rekeninkomen kan de gemeente gebruik maken van het meest recente inkomen van de woningzoekende.
2.
Het in paragraaf 2.7 bepaalde geldt niet:
als de woonruimte door de eigenaar wordt betrokken;
als er sprake is van medehuurderschap of voorgenomen woningruil, als bedoeld in artikel 9 van het besluit.
De tekst van artikel 9 van het besluit luidt:
Voor zover de verordening bepaalt dat bij het verlenen van huisvestingsvergunningen voorrang wordt gegeven aan woningzoekenden als bedoeld in artikel 11, eerste lid, of artikel 12, eerste lid, van de wet, voorziet de verordening erin dat de desbetreffende bepalingen buiten toepassing blijven, indien een huisvestingsvergunning wordt aangevraagd:
door degene die ingevolge artikel1623g, eerste lid, of 1623h, eerste lid, van Boek 7A van het Burgerlijk Wetboek medehuurder van de betrokken woonruimte was, indien deze de huurovereenkomst voortzet krachtens artikel 1623g, derde lid, 1623h, zesde lid, of 1623i eerste lid, van Boek 7A van dat wetboek;
met het oog op een voorgenomen ruil van woonruimte;
door personeel als bedoeld in artikel 6, onder b.
3.
De huisvestingsvergunning kan eveneens verleend worden, indien de woonruimte met toepassing van het bepaalde in paragraaf 2.4 passender geacht wordt voor het huishouden dat de huisvestingsvergunning aanvraagt dan de woonruimte welke het huishouden verlaat.
HOOFDSTUK 2 › Paragraaf 2.3
Artikel 2.3.3
Criteria voor vergunningverlening
Onderdeel van Huisvestingsverordening 1994