Naar hoofdinhoud

HOOFDSTUK 2

Artikel 2.9.1

Melding van ter beschikking komen

Onderdeel van Huisvestingsverordening 1994

1. De eigenaar van een woonruimte, als bedoeld in artikel 2.1.1, onder a, is verplicht het ter beschikking komen van die woonruimte onverwijld aan burgemeester en wethouders te melden. Het daaromtrent in artikel 18 van de wet bepaalde is van overeenkomstige toepassing. De tekst van artikel 18 van de wet luidt: De eigenaar van een woonruimte die is aangewezen overeenkomstig artikel 12, eerste lid, is verplicht het ter beschikking komen van de woonruimte onverwijld aan burgemeester en wethouders te melden. Gelijktijdig met de melding, bedoeld in het eerste lid, kan de eigenaar aan burgemeester en wethouders een woningzoekende voordragen. Het eerste lid is niet van toepassing, indien de woonruimte zal worden bewoond door de eigenaar ervan in de zin van het Burgerlijk Wetboek, en de woonruimte gedurende tenminste de zes maanden waarin deze laatstelijk bewoond is geweest, bewoond werd door de eigenaar ervan in de zin van het Burgerlijk Wetboek. 2. Een woonruimte wordt geacht ter beschikking te zijn gekomen, wanneer: degene die de woonruimte in gebruik heeft aan de eigenaar het gebruik daarvan heeft opgezegd; de woonruimte is ontruimd; de woonruimte als zodanig niet langer in gebruik is, tenzij aannemelijk wordt gemaakt dat dit slechts korte tijd het geval is; op enigerlei andere wijze is gebleken dat de woonruimte te huur of vrij van huur te koop is. 3. Het aantal kamers dat de woonruimte telt op het moment van in verhuur brengen is bepalend voor de toepassing van artikel 2.4.2 (bezettingsnorm). 4. De eigenaar dient de burgemeester of door de burgemeester aan te wijzen gemeenteambtenaren in de gelegenheid te stellen de woonruimte te inspecteren ter vaststelling van de in de vorige leden genoemde gegevens.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel