Naar hoofdinhoud

Titeldeel 1

Artikel 8

Werkwijze adviseur of adviescommissie

Onderdeel van Planschadeverordening 2010

1. Het college stelt aan de adviseur of de adviescommissie alle op de aanvraag betrek-king hebbende informatie, alsmede de voor de beoordeling daarvan naar het oordeel van de adviseur of van de adviescommissie noodzakelijke bescheiden ter beschik-king. 2. Het college wijst uit de ambtelijke organisatie één of meer personen aan die de advi-seur of de adviescommissie bij de uitvoering van de adviesopdracht bijstaat. 3. De adviseur of de voorzitter van de adviescommissie organiseert één of meerdere hoorzittingen, waar de aanvrager en de in het tweede lid bedoelde ambtelijke verte-genwoordiger(s) in de gelegenheid worden gesteld de aanvraag toe te lichten, on-derscheidenlijk de voor de advisering over de aanvraag relevante informatie te ver-schaffen, dan wel een standpunt van de gemeente over de aanvraag aan de advi-seur of de adviescommissie kenbaar te maken. Eventuele andere betrokken be-stuursorganen, alsmede de belanghebbenden als bedoeld in artikel 6.4a, tweede en derde lid, van de wet worden eveneens in de gelegenheid gesteld hun standpunt kenbaar te maken. 4. De adviseur of de voorzitter van de adviescommissie bepaalt het tijdstip waarop de adviseur of de adviescommissie de situatie ter plaatse zal bezichtigen en nodigt de aanvrager voor de plaatsopneming uit, tenzij uit de inhoud van de aanvraag aan-stonds blijkt dat deze behoort te worden afgewezen.5. Ten behoeve van een taxatie van een bij de aanvraag betrokken onroerende zaak, wordt door de adviseur of de voorzitter van de adviescommissie met de aanvrager een afspraak gemaakt. 6. Van de in het derde lid bedoelde hoorzitting en van de in het vierde lid bedoelde be-zichtiging wordt door, dan wel onder verantwoordelijkheid van, de adviseur of de voorzitter van de adviescommissie een verslag gemaakt, dat onderdeel vormt van het uit te brengen advies. 7. Alvorens een advies uit te brengen zendt de adviseur of de adviescommissie binnen zestien weken na de dagtekening van de opdracht tot advisering een concept daar-van aan de gemeente, aan de aanvrager, aan eventuele andere betrokken bestuurs-organen en aan de belanghebbenden als bedoeld in artikel 6.4a, tweede en derde lid, van de wet. De adviseur of de voorzitter van de adviescommissie kan deze ter-mijn onder opgaaf van redenen met een daarbij aan te geven termijn met ten hoog-ste vier weken verlengen. 8. De aanvrager, eventuele andere betrokken bestuursorganen alsmede de belangheb-benden als bedoeld in artikel 6.4a, tweede en derde lid, van de wet worden in de ge-legenheid gesteld om binnen vier weken na de toezending van het concept advies schriftelijk hierop te reageren. 9. In het geval tijdig reacties zijn ingediend, brengt de adviseur of de adviescommissie binnen vier weken na het verstrijken van de in het achtste lid bedoelde termijn een advies uit aan het college, waarbij de betreffende reacties zijn betrokken. 10. In het geval geen of niet tijdig reacties zijn ingediend, brengt de adviseur of de ad-viescommissie binnen twee weken na het verstrijken van de in het achtste lid bedoel-de termijn een advies uit aan het college.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel