LID 1.1BELEIDSUITGANGSPUNT
Als beleidsuitgangspunt wordt als regel gekozen voor het opleggen van een last onder bestuursdwang en niet voor het opleggen van een dwangsom.
Anders dan een last onder dwangsom leidt een last onder bestuursdwang direct tot beëindiging van de feitelijke overtreding. Gelet op het vaak (zeer grote) financiële gewin uit illegale drugshandel is het maar zeer de vraag of met het opleggen van een last onder dwangsom de overtreding (direct)ophoudt of niet meer wordt herhaald. Vanwege de grote winsten uit illegale drugshandel is het denkbaar dat de betaling van een dwangsom wordt ingecalculeerd. Van een last onder bestuursdwang gaat een duidelijker signaal uit, namelijk dat de illegale handel in drugs niet wordt geaccepteerd. Voorts kan met een last onder bestuursdwang makkelijker de loop uit een pand worden gehaald. Sluiting op grond van artikel 13b van de Opiumwet beoogt het beëindigen of opheffen van locaties en betreft dus een pandgerichte aanpak.
Sluiting van een woning of lokaal is gericht op het bereiken van een aantal doelen, namelijk de bekendheid van de woning/het lokaal als drugsadres teniet te doen, een signaal af te geven dat de geconstateerde feiten onacceptabel zijn, de rust in de directe omgeving te doen wederkeren, herhaling van de ernstige verstoring van de openbare orde te voorkomen, alsmede een verdere aantasting van het woon- en leefklimaat te voorkomen.
LID 1.2SLUITING WONING/LOKAAL
Bij het opleggen van een last onder bestuursdwang wordt in principe gekozen voor sluiting van de woning/het lokaal. Dit moet als de meest effectieve maatregel worden beschouwd om de met de Opiumwet strijdige situatie te doen beëindigen en herhaling ervan te voorkomen. Bij wijze van uitzondering kan in concrete gevallen, waar het middel van sluiting niet adequaat of niet evenredig is, bekeken worden welke andere bestuursrechtelijke maatregel dient te worden toegepast.
LID 1.3SLUITINGSBEVOEGDHEID
De sluitingsbevoegdheid van de burgemeester op basis van artikel 13b Opiumwet en de overige daarmee samenhangende maatregelen kan uitsluitend toepassing krijgen op basis van schriftelijke bewijsstukken.
LID 1.4SLUITING
Onder het sluiten van het pand wordt in ieder geval het volgende verstaan:
het afsluiten van het pand door de betrokkene door ramen en deuren te sluiten en gesloten te houden;
ingeval van een lokaal, het door de betrokkene eventueel verwijderen van aanduidingen op, aan, in en over het pand, waaruit kan blijken dat het pand (voor publiek) geopend is;
het door de gemeente aanbrengen van stickers/aankondigingen en/of raamborden op de verdieping op/aan het pand dat het is gesloten wegens het overtreden van artikel 13b Opiumwet;
het ontoegankelijk maken voor het publiek van de woning/het lokaal;
Aanbrengen van een verzegeling ingevolge artikel 5:28 van de Algemene wet bestuursrecht.
De betrokkene krijgt in de last tot toepassing van bestuursdwang eerst zelf de gelegenheid om over te gaan tot sluiting van het drugspand. Hiertoe wordt hem in principe een begunstigingstermijn geboden van maximaal 72 uur.
Bij lokalen geldt dat binnen het eerste uur van deze 72 uur de klanten uit de inrichting dienen te worden verwijderd. Als binnen die termijn door de betrokkene geen sluiting heeft plaatsgevonden of wordt na de sluiting, zonder toestemming van het bevoegde gezag alsnog het drugspand betreden, dan kan de burgemeester onder toepassing van bestuursdwang de sloten van het drugspand vervangen. Het doorbreken van de door de burgemeester aangebrachte verzegeling en/of het daarna betreden van het gesloten pand levert een strafbaarheid op (artikel 199 Sr en artikel 2:31 APV), tenzij sprake is van een rechtmatig verkregen ontheffing van de burgemeester.
LID 1.5INSCHRIJVING KADASTER
De beleidsregel is gerelateerd aan de locatie. Dat betekent dat een opgelegde bestuurlijke maatregel tevens werkt voor rechtsopvolgers. Een besluit tot toepassing van bestuursdwang ingevolge artikel 13b van de Opiumwet is een beperkingsbesluit dat valt onder de Wet kenbaarheid publiekrechtelijke beperkingen onroerende zaken.
De burgemeester zal op grond van deze wet een besluit tot sluiting zo spoedig mogelijk inschrijven in de openbare registers, zoals bedoeld in 3:16 BW.
LID 1.6KOSTEN
Op grond van artikel 5:25 Algemene wet bestuursrecht worden de kosten voor het toepassen van de bestuursdwang verhaald op de overtreder.
De overtreder is voorts degene die het desbetreffende voorschrift daadwerkelijk heeft geschonden. Dat is in de eerste plaats degene die de verboden handeling fysiek heeft verricht. Daarnaast kan in bepaalde gevallen degene die de overtreding niet zelf feitelijk heeft begaan, doch aan wie de handeling is toe te rekenen, voor de overtreding verantwoordelijk worden gehouden en derhalve als overtreder worden aangemerkt. Ingeval een pand wordt gebruikt als hennepkwekerij worden door de Afdeling de (professionele) verhuurders, ook al is de huurder feitelijk degene die de hennepkwekerij exploiteert, als overtreder gezien wanneer deze verhuurders ‘weten of redelijkerwijs kunnen weten dat het pand als hennepkwekerij wordt gebruikt’ (ABRvS 9 juni 2010 ECLI:NL:RvS:2010:BM7105, ABRvS 29 juni 2011, ECLI:NL:RvS:2011:BQ9683). Van de eigenaar van een pand dat wordt verhuurd, mag worden gevergd dat hij zich tot op zekere hoogte informeert over het gebruik dat van het door hem verhuurde pand wordt gemaakt en dat geldt temeer voor professionele verhuurders. (ABRvS 16 januari 2013, ECLI:NL:RvS:2013:BY8545). Eventuele kosten die gepaard gaan met de (tijdelijke) huisvesting van (huis)dieren door de gemeente vallen hier ook onder.
LID 1.7ZIENSWIJZEN
Ingevolge artikel 4:8 Awb worden belanghebbenden in de gelegenheid gesteld hun zienswijzen naar voren te brengen. Belanghebbende(n) krijg(en) hiervoor een termijn van 7 dagen. Hiervan kan, op grond van artikel 4:11 Awb, worden afgezien indien vereiste spoed zich daartegen verzet.
Van het geen staat weergegeven onder 1. kan op grond van artikel 4:11 Awb worden afgezien, indien de vereiste spoed zich daartegen verzet. Afhankelijk van de aard en ernst van de feiten kan spoedshalve bestuursdwang worden toegepast en hoeft geen termijn voor het indienen van zienswijzen te worden gegund, indien de vereiste spoed zich daartegen verzet.
LID 1.8PROPORTIONALITEIT EN SUBSIDIARITEIT
In het kader van de eisen van proportionaliteit en subsidiariteit wordt door middel van een handhavingsarrangement opgetreden. Het voeren van een beleid waarin direct tot sluiting wordt overgegaan, is redelijk indien gemotiveerd wordt waarom de betreffende sluiting proportioneel en subsidiair is.
Mocht sluiting in voorkomend geval niet proportioneel en subsidiair worden geacht dan wordt bezien of volstaan, kan worden met een minder ingrijpende bestuurlijke maatregel, waaronder (niet-limitatief) het geven van een waarschuwing (al dan niet met een voorwaarde die strekt tot periodieke controles) of het voorwaardelijk nemen van een sluitingsbesluit met daaraan verbonden een in redelijkheid vast te stellen proeftijd.
De burgemeester dient aan degene(n) aan wie de gekozen maatregel wordt bekend gemaakt de motivering daarvan duidelijk en schriftelijk mede te delen.
Bij deze motivering betrekt de burgemeester in ieder geval de duur van de sluiting in relatie tot:
de bestemming van het pand
de zwaarte van de overtreding
herhaling
duur van de overtreding.
LID 1.9AFWIJKINGSBEVOEGDHEID
De bestuurlijke maatregelen zijn in dit beleid weergegeven. In beginsel wordt er overeenkomstig dit beleid besloten.
De burgemeester kan op basis van feiten en omstandigheden in bijzondere gevallen gemotiveerd afwijken van de maatregelen zoals deze zijn vastgesteld in het onderhavige beleid (artikel 4:84 Awb, de zgn. inherente afwijkingsbevoegdheid).
Ook indien niet dezelfde overtreding voor de 2e of 3e keer is begaan, maar een overtreding uit een andere categorie, kan er aanleiding zijn van dit beleid af te wijken. Dit kan ook betekenen dat bijvoorbeeld bij zeer ernstige overtredingen een stap wordt overgeslagen of voor een langere periode wordt gesloten. Relevante indicatoren voor bepalen zwaarte sanctie. De navolgende (niet uitsluitend) indicatoren zijn betrokken bij het bepalen van de zwaarte voor de op te leggen sancties:
de hoeveelheid aangetroffen middelen als bedoeld in lijst I en/of lijst II van de Opiumwet (dit zal in ieder geval een als handelshoeveelheid aan te merken hoeveelheid moeten zijn)
de vraag of sprake is van een combinatie van middelen als bedoeld in lijst I en lijst II Opiumwet
de vraag of sprake is van één of meer (vuur)wapens/verboden wapenbezit als bedoeld in de Wet Wapens en Munitie
(andere) signalen die duiden op beroeps- of bedrijfsmatigheid, zoals de aanwezigheid van verpakkingsmateriaal, grote som(men) (handels)geld, een weegschaal, assimilatielampen, een tabletteermachine (productie van pillen) e.d.
de mate van brandgevaar en/of ander gevaar voor de omgeving; de mate van risico voor omwonenden
de mate van overlast en de effecten op de omgeving
de vraag of sprake is van gewelds- of andere openbare orde delicten
de vraag of sprake is van recidive, ook in relatie tot eerdere voorbereidingshandelingen
het bestaan van een vermoeden dat de bewoner(s)/betrokkene(n) verkeert/verkeren in kringen van personen met antecedenten (hierbij moet met name gedacht worden aan antecedenten t.a.v. de Opiumwet of de Wet Wapens en Munitie, maar ook antecedenten op het gebied van geweld jegens personen of zaken, zoals mishandeling, bedreiging, vernieling of diefstal e.d. kunnen een rol spelen)
de mate waarin het pand/de ruimte bekend staat als drugsadres
de mate waarin het pand/de ruimte betrokken is bij de drugshandel in georganiseerd verband
de aannemelijkheid dat behalve het pand of het daarbij behorende erf nog één of meer locaties betrokken is/zijn bij drugshandel in georganiseerd verband.
LID 1.10OMSCHRIJVING
Met betrekking tot de omschrijving van het ‘verkopen, afleveren, verstrekken dan wel daartoe aanwezig hebben’ van verdovende middelen volgt uit het woord ‘daartoe’ dat de enkele aanwezigheid van verdovende middelen, waaronder hennep in al zijn verschijningsvormen, ten behoeve van verkoop, aflevering of verstrekking de bevoegdheid verschaft tot sluiting. Ten einde een last onder bestuursdwang te kunnen opleggen is het niet vereist dat de verdovende middelen daadwerkelijk zijn verhandeld.
LID 1.11SLUITING BIJ HUUR
Een wijziging in de huursituatie wordt in beginsel als niet ter zake doende beschouwd indien deze wordt aangebracht nadat het voornemen tot op opleggen van een last onder bestuursdwang is uitgegaan. De ratio hierachter is dat de verhuurder niet met het plaatsen van andere huurders onder de genoemde last kan uitkomen. Het is immers op dat moment nog steeds noodzakelijk de loop van een dergelijk pand af te halen, het enkel plaatsen van nieuwe huurders leidt niet tot het voorkomen van herhaling van een met de Opiumwet strijdige situatie.
Criminelen misbruiken en/of gebruiken woningen en/of lokalen voor de illegale productie, verwerking en verkoop van soft- en harddrugs. Daarbij maken zij gebruik van woningen of lokalen van particuliere (bonafide) eigenaren of woningen van woningcorporaties. De burgemeester vindt het belangrijk dat particuliere verhuurders en woningcorporaties actief toezicht houden op de door hen verhuurde woningen en lokalen. De burgemeester wil in deze context graag gezamenlijk optreden. Daarom wordt voor particuliere eigenaren en woningcorporaties die zelf een concrete melding hebben gemaakt van drugsactiviteiten in een door hen verhuurde woning of lokaal een uitzondering gemaakt op de uitgangspunten van de toepassing van deze beleidsregels.
LID 1.12 OPHEFFING SLUITING
Pandeigenaren, waar onder woningcorporaties en private eigenaren/verhuurders, zijn onder andere verantwoordelijk voor de elektronische veiligheid van de woning. Dit betreft ook de binnenhuisinstallatie. De installatie in de panden moet voldoen aan de normen gesteld in het Bouwbesluit. Nadat een hennepkwekerij/drogerij in een pand is ontmanteld, kan er nog sprake zijn van verborgen veiligheidsproblemen. De ervaring leert dat bij hennepkwekerijen de binnenhuisinstallatie vaak is aangetast. De burgemeester legt de verplichting op aan de pandeigenaar dat er een herkeuring moet plaatsvinden van de elektrische installatie na het aantreffen van een hennepkwekerij. De herkeuring moet plaatsvinden door een erkend installatiebedrijf. De gemeente hanteert de stelregel dat een pand, dat vanwege het aantreffen van een hennepkwekerij/drogerij is afgesloten van het elektriciteitsnetwerk, niet eerder in gebruik mag worden genomen dan dat het in overeenstemming is met hetgeen bepaald in het Bouwbesluit 2012. De eigenaar/huurder overlegt hiertoe een keuringsrapport dat is opgesteld door een hiertoe gecertificeerd bedrijf.
LID 1.13SLUITING WONING MET MINDERJARIGE KINDEREN
De omstandigheid dat sluiting van een woning of lokaal met zich brengt dat bewoners en/of zakelijke gebruikers die de woning of dat lokaal voor de duur van de sluiting niet als woon- of bedrijfsruimte kunnen gebruiken, is inherent aan de sluiting. Sluiting van een woning waar minderjarige kinderen aanwezig zijn is niet per definitie disproportioneel(ECLI:NL:RVS:2017:3360;) ECLI:NL:RVS:2016:1174.
Bij de totstandkoming van deze beleidsregel is rekening gehouden met het feit dat een woning waarin minderjarige kinderen verblijven, kan worden gesloten. In principe geldt dat de betrokkenen zelf alternatieve woonruimte zullen moeten zoeken. Indien sprake is van minderjarige bewoner(s)/betrokkene(n) wordt een melding gedaan bij Bureau Jeugdzorg en Centrum Jeugd en Gezin.
Dat de bewoner, alsmede de tot hun gezin behorende kinderen, de woning voor de duur van de sluiting zullen moeten verlaten, is in dat licht op zichzelf geen bijzondere omstandigheid in de zin van artikel 4:84 van de Algemene wet bestuursrecht.
Hierbij komt dat, indien de aanwezigheid van kinderen in een woning als uitzonderingsgrond wordt aangemerkt, op grond waarvan sluiting achterwege blijft, dat drugshandelaren daarin een reden en/of motief kunnen zien om vooral in woningen met kinderen hennepkwekerijen op te zetten. Dat is onwenselijk en niet in het belang van minderjarige kinderen. Om minderjarige kinderen daartegen te beschermen wordt de aanwezigheid van kinderen in beginsel niet als een uitzonderingsgrond aangemerkt voor de gekozen aanpak, zodat in beginsel sluiting van de woning volgt.
Inherent aan een sluiting van een woning is dat een bewoner de woning moet verlaten. Dit is op zichzelf dan ook geen bijzondere omstandigheid. Dat wordt anders als de betrokkene een bijzondere binding heeft met de woning, bijvoorbeeld om medische redenen. Daarbij gaat het niet om een binding met de omgeving van de woning, maar specifiek om een binding met de woning zelf. Daarbij is van belang in hoeverre de betrokkene zelf geschikte vervangende woonruimte kan regelen, maar is ook een rol weggelegd voor de burgemeester. Gelet op de vereiste evenredigheid van de sluiting dient de burgemeester te informeren naar de mogelijkheden van vervangende huisvesting ECLI:NL:RVS:2019:2912.
Ook het lijden van enig financieel nadeel als gevolg van sluiting van een woning moet als een direct gevolg daarvan worden aangemerkt, zodat daarin evenmin een bijzondere omstandigheid gelegen is, aldus de Afdeling.
LID 1.14ZORG VOOR HUISRAAD, HUISDIEREN EN ALTERNATIEVE HUISVESTING
Betrokkene(n) dienen in beginsel zelf voor hun huisraad, huisdieren en alternatieve huisvesting te zorgen. Uit jurisprudentie met betrekking tot artikel 8 Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en fundamentele vrijheden blijkt dat aan de 'onschuldige' (mede)bewoner passende vervangende woonruimte moet worden aangeboden. Onder onschuldige (mede)bewoner wordt in beginsel een bewoner verstaan, die niets met de drugshandel/hennepkwekerij in en rond het pand te maken heeft. Gelet op het Verdrag van de rechten van het kind behoeft dit extra aandacht indien kinderen bij de situatie betrokken zijn.
Betrokkene(n) dienen zelf zorg te dragen voor het afsluiten van de nutsvoorzieningen. Dit mede met het oog op de brandveiligheid en het voorkomen van lekkages.
LID 1.15PERSOONLIJKE VERWIJTBAARHEID
De bevoegdheid van artikel 13b van de Opiumwet is in beginsel gericht op de locatie en is niet gericht op de eigenaar of bewoner. De bevoegdheid van artikel 13b Opiumwet strekt ertoe de geconstateerde overtreding van de Opiumwet in het betreffende pand te beëindigen, de gevolgen daarvan ongedaan te maken en herhaling te voorkomen. Hierbij is de persoonlijke verwijtbaarheid van een betrokkene geen bijzondere omstandigheid die er toe zou moeten leiden af te zien van het opleggen van de last onder bestuursdwang (tijdelijke sluiting). Zoals uit bestendige jurisprudentie (bijvoorbeeld ECLI:NL:RVS:2010:BL8721 en ECLI:NL:RVS:2013:CA3702) blijkt, speelt de persoonlijke verwijtbaarheid van de eigenaar/gebruiker geen rol bij de vraag of zich een situatie voordoet die tot sluiting van het pand leidt. Ook in het geval aannemelijk is dat gebruikers (huurders) van een pand zonder medeweten van de eigenaar in of vanuit het lokaal of de woning voorbereidingshandelingentreffen, drugs verkopen, verhandelen of daartoe aanwezig hebben, geeft dit aanleiding tot optreden op basis van artikel 13b van de Opiumwet.
Het ontbreken van iedere betrokkenheid bij de overtreding kan afzonderlijk of tezamen met andere omstandigheden maken dat de burgemeester niet in redelijkheid van zijn bevoegdheid gebruik heeft kunnen maken. Zo kan bijvoorbeeld de betrokkene geen verwijt van de overtreding worden gemaakt, als hij niet op de hoogte was en evenmin redelijkerwijs op de hoogte kon zijn van de aanwezigheid van de aangetroffen drugs in zijn woning (vergelijk de uitspraak van de Afdeling van 27 juni 2018, ECLI:NL:RVS:2018:2116). Van degene die een woning verhuurt wordt verwacht dat hij zich tot op zekere hoogte informeert over het gebruik dat van het pand wordt gemaakt. De rechtspraak daarover brengt mee dat verhuurders concreet toezicht moeten houden op het gebruik van een pand dat zij verhuren. Het is niet genoeg als zij het pand alleen maar bezoeken. Zij moeten ook controles uitvoeren die zijn gericht op het gebruik van het pand (vergelijk de uitspraak van de Afdeling van 17 juli 2019, ECLI:NL:RVS:2019:2462).
LID 1.16INFORMATIEVERSTREKKING DOOR DE POLITIE
Omdat de Opiumwet geen mogelijkheid biedt om gemeentelijke toezichthouders aan te wijzen, is de burgemeester hoofdzakelijk afhankelijk van informatie van de politie. Deze informatie wordt aan de burgemeester verstrekt in het kader van zijn taak tot handhaving van de openbare orde en veiligheid.
Door de politie wordt zo spoedig mogelijk informatie verstrekt die noodzakelijk is voor het treffen vaneen bestuurlijke maatregel. Indien meer informatie nodig wordt geacht om de context van het toepassen van de bevoegdheid van artikel 13b van de Opiumwet ter terechtzitting nader te schetsen, wordt in overleg met de politie gekeken welke informatie hiertoe gedeeld kan worden. De door de politie aangeleverde gegevens worden vertrouwelijk door de burgemeester behandeld. De basis voor het verstrekken van dergelijke gegevens kan worden gevonden in artikel 16, eerste lid, aanhef en onder c van de Wet politiegegevens.