LID 2.1UITGANGSPUNT
Uitgangspunt is dat bij een overtreding van de Opiumwet met toepassing van artikel 13b van deze wet direct wordt overgegaan tot toepassing van bestuursdwang. Dit leidt tot sluiting van het drugspand. Is sprake van een woning, dan kan uitsluitend bij een eerste overtreding een waarschuwing worden overwogen. Dit geldt alléén als sprake is van minder ernstige gevallen. In ernstige gevallen wordt geen waarschuwing gegeven en wordt direct overgegaan tot sluiting van de woning. Hiermee wordt recht gedaan aan artikel 8 EVRM1Recht op eerbiediging van privé-, familie- en gezinsleven. Bij een lokaal wordt in principe altijd bestuursdwang toegepast.
LID 2.2VOORBEREIDINGSHANDELINGEN
Van voorbereidingshandelingen is sprake als in een woning of lokaal of op een erf voorwerpen of stoffen aanwezig zijn die bestemd zijn voor onder meer het telen of bereiden van drugs. Het gaat om voorbereidingshandelingen die strafbaar zijn op grond van artikel 10a of 11 van de Opiumwet.
Die bepalingen ingevolge artikel 10a , onder 3, of artikel 11a van de Opiumwet vereisen dat degene die het voorwerp of de stof in de woning of het lokaal of op het erf voorhanden heeft, weet of ernstige reden heeft om te vermoeden dat het voorwerp of de stof bestemd is voor onder meer het bereiden, bewerken of vervaardigen van harddrugs, respectievelijk voor grootschalige of bedrijfsmatige illegale hennepteelt. Een en ander kan reeds blijken uit de aard en hoeveelheid van de aangetroffen stof (opslag van bijvoorbeeld 2000 liter zoutzuur in een woonwijk) of uit de aangetroffen voorwerpen en stoffen in onderlinge combinatie (een drugslaboratorium of hennepkwekerij in aanbouw), maar soms ook uit de uit een opsporingsonderzoek verkregen resultaten van tapgesprekken of observaties. Sluiting is aan de orde zodra het pand een schakel vormt in de productie of distributie van drugs.
Het kan voorkomen dat een hennepkwekerij wordt opgerold die vlak voor de inval is geoogst of er kan sprake zijn van een pand waarvan uit onderzoek door de politie blijkt dat het gebruikt wordt als een knooppunt van waaruit men handelsafspraken maakt ten behoeve van productie, verkoop, aflevering of verstrekking van drugs.
Een andere mogelijkheid is dat een geringe hoeveelheid drugs worden aangetroffen (niet zijnde een handelshoeveelheid), en/of dat de overige zaken in het pand wel wijzen op een grotere hoeveelheid of productie, bijvoorbeeld de aangetroffen apparatuur zoals lampen, filters, afval en dergelijke.
In dergelijke gevallen valt het betreffende pand ook onder de werking van artikel 13b van de Opiumwet. Het is immers gebruikt ten behoeve van de productie, verkoop, aflevering of verstrekking van drugs. Dergelijke gevallen worden dus gelijk gesteld met de situatie als waren de betreffende drugs wel aangetroffen en als gevolg hiervan zal ook in deze gevallen worden overgegaan tot het treffen van een bestuurlijke maatregel.
Niet alle strafbare voorbereidingshandelingen ingevolge artikel 10 of 11a van de Opiumwet vallen binnen de reikwijdte van deze beleidsregel. De beleidsregel geldt bijvoorbeeld niet voor in een pand aangetroffen vervoermiddelen, gelden of andere betaalmiddelen als bedoeld in artikel 10a, eerste lid, onder 3, of artikel 11a van de Opiumwet. De relatie van vervoer- of betaalmiddelen met het pand zal in veel gevallen te los zijn om sluiting van het pand te rechtvaardigen.
De uitbreiding van de sluitingsbevoegdheid geldt evenmin als in een pand een (geheime) ruimte wordt aangetroffen als bedoeld in artikel 11a van die Wet. Uiteraard kunnen in een pand aangetroffen vervoer- of betaalmiddelen of (geheime) ruimten wel bijdragen aan het oordeel dat redelijkerwijs moet worden aangenomen dat het om strafbare voorbereidingshandelingen gaat.
LID 2.3REIKWIJDTE/EIGEN GEBRUIK
Bij de beoordeling of bestuursdwang wordt toegepast in het kader van artikel 13b Opiumwet moet in ieder geval sprake zijn van het verkopen, verstrekken of afleveren dan wel het daartoe aanwezig zijn van drugs. De hoeveelheid van de in een drugspand kan indiceren dat deze voor verkoop, aflevering of verstrekking bestemd zijn. In deze beleidsregel wordt hiertoe aangesloten bij de door het openbaar ministerie toegepaste criteria. 2Aanwijzing Opiumwet en Richtlijn voor strafvordering Opiumwet, harddrugs (2015R018)
Volgens deze criteria worden een hoeveelheid harddrugs van:
maximaal 0,5 gram (zoals bijvoorbeeld maar niet uitsluitend in grammen uitgedrukte hoeveelheden cocaïne, heroïne, amfetamine (speed), MDMA (XTC) of andere stof van lijst I), of;
maximaal 1 pil, tablet, ampul (zoals bijvoorbeeld maar niet uitsluitend in hoeveelheid pillen uitgedrukte hoeveelheden MDMA (XTC), amfetamine (speed) of andere stof van lijst I), of;
maximaal 5 milliliter (zoals bijvoorbeeld maar niet uitsluitend in milliliters uitgedrukte hoeveelheden GHB of andere stof van lijst I);
en een hoeveelheid softdrugs van:
maximaal 5 planten of
maximaal 5 gram
als hoeveelheden voor eigen gebruik aangemerkt.
LID 2.4HANDELSHOEVEELHEID
Worden de hoeveelheden voor eigen gebruik overschreden, dan wordt aangenomen dat de drugs voor verkoop, aflevering of verstrekking bestemd zijn en kan artikel 13b Opiumwet worden toegepast. Bij een hoeveelheid softdrugs in een pand van:
meer dan 5 planten maar minder dan 15 planten, of;
meer dan 5 gram maar minder dan 150 gram
en een hoeveelheid harddrugs in een pand van:
meer dan 0,5 gram maar minder dan 1 gram, of;
meer dan 1 maar minder dan 5 pillen, of;
meer dan 5 milliliter maar minder dan 10 milliliter;
wordt een nadere belangenafweging verricht en wordt, vanuit het oogpunt van proportionaliteit en evenredigheid, bezien welke bestuurlijke maatregel voor dat specifieke geval passend is.
LID 2.5ERNSTIG GEVAL SOFTDRUGS
Vanuit het oogpunt van de proportionaliteit en evenredigheid zal onder toepassing van bestuursdwang in ieder geval tot directe sluiting van een drugspand worden overgegaan in ernstige gevallen.
Een ernstig geval wordt op grond van deze beleidsregel in ieder geval aangenomen ingeval van een aangetroffen hoeveelheid van meer of gelijk aan 15 hennepstekjes of planten. In dat geval wordt aangenomen dat er sprake is van beroeps- en bedrijfsmatige hennepteelt. Er is dan geen sprake van een geringe hoeveelheid voor eigen gebruik. Bij hennepknipperijen, drogerijen en buitenteelt is doorgaans sprake van een hoeveelheid van meer dan 150 gram hennep of hasjiesj.
Ook bij een hoeveelheid van 150 gram of meer hennep of hasjiesj wordt een ernstig geval van drugshandel aangenomen. Dit, de aanwezigheid van meer of gelijk aan 15 planten of meer of gelijk aan 150 gram softdrugs, wordt in deze beleidsregel in ieder geval beschouwd als hoeveelheid drugs die aanwezig is voor de verkoop, aflevering of verstrekking in de zin van artikel 13b Opiumwet. Bij deze hoeveelheden wordt in beginsel direct overgegaan tot toepassing van bestuursdwang.
In verband met de ernst en omvang van de overtreding is mede van belang of de aangetroffen drugs feitelijk in of vanuit de woning werden verhandeld. Uitgangspunt is dat als in een woning een handelshoeveelheid drugs wordt aangetroffen aangenomen mag worden dat de woning een rol vervult binnen de keten van drugshandel, hetgeen op zichzelf al een belang bij sluiting oplevert, ook als ter plaatse geen overlast of feitelijke drugshandel is geconstateerd (vergelijk de uitspraak van de Afdeling van 1 mei 2019, ECLI:NL:RVS:2019:1435). Feitelijke handel in of vanuit de woning kan worden aangenomen op grond van politiewaarnemingen, meldingen en verklaringen (vergelijk de uitspraak van de Afdeling van 18 juli 2018, ECLI:NL:RVS:2018:2400) of het in de woning aantreffen van attributen die te relateren zijn aan drugshandel, zoals een weegschaal, verpakkingsmaterialen, een grote hoeveelheid contant geld en wapens (vergelijk de uitspraak van de Afdeling van 23 januari 2019, ECLI:NL:RVS:2019:148).
LID 2.6ERNSTIG GEVAL HARDDRUGS
Vanuit het oogpunt van de proportionaliteit en evenredigheid zal onder toepassing van bestuursdwang in ieder geval tot directe sluiting van een drugspand worden overgegaan in ernstige gevallen. Een ernstig geval wordt op grond van deze beleidsregel in ieder geval aangenomen ingeval van een aangetroffen hoeveelheid van:
groter of gelijk aan 1 gram, of;
groter of gelijk aan 6 pillen, of;
groter of gelijk aan 10 milliliter.
Bij deze hoeveelheden wordt in beginsel direct overgegaan tot toepassing van bestuursdwang.
LID 2.7CATEGORIEËN IN BELEID
Het beleid betreffende de bestuurlijke handhaving van artikel 13b Opiumwet is onderverdeeld in de volgende categorieën:
Woningen en bijbehorende erven: de drugshandel in woningen dan wel bij de woningen behorende erven.
Lokalen en bijbehorende erven: de drugshandel in (al dan niet voor het publiek opengestelde) lokalen dan wel bij zodanige lokalen behorende erven.
In het geval dat zich een combinatie voordoet van woning en lokaal (zoals bijvoorbeeld wanneer sprake is van een horecazaak met bovenwoning) wordt, in het geval een handelshoeveelheid verdovende middelen in beide wordt aangetroffen dan wel wanneer tussen woning en lokaal een duidelijke samenhang bestaat (bijvoorbeeld door middel van de stroom- of watervoorziening) in beginsel voor iedere afzonderlijke categorie het in deze beleidsregel opgenomen handhavingsarrangement toegepast.
In voorkomende situaties kan sprake zijn sprake zijn van een samenhangend geheel en/of functionele eenheid. Navolgend een aantal indicaties die hierop kunnen wijzen (niet limitatief): locatie meterkast, één eigenaar perceel, rechtstreekse verbinding tussen de ruimtes, wel/geen eigen toegang, afstand tussen de bouwwerken, perceel is omsloten en kan het los van elkaar functioneren.
LID 2.8WONINGEN EN DAARBIJ BEHORENDE ERVEN
Doordat de sluiting van woningen zwaarder ingrijpt op de persoonlijke levenssfeer van betrokkene(n) dan de sluiting van lokalen is onderscheid gemaakt tussen woningen en lokalen. De essentie ligt daarin dat er in de bewoonde woningen sprake is van het hebben van woongenot en de daaraan sterk gerelateerde persoonlijke levenssfeer.
Dit vergt een striktere afweging van het belang bij bescherming van die persoonlijke levenssfeer ten opzichte van het algemene belang bij handhaving op basis van artikel 13b Opiumwet. Hierdoor kan onder omstandigheden eerst een waarschuwing zijn aangewezen, alvorens bestuursdwang toe te passen. Er is tevens onderscheid gemaakt tussen de drugshandel in softdrugs en drugshandel in harddrugs.
LID 2.9DE SLUITINGSTERMIJNEN BIJ WONINGEN EN BIJBEHORENDE ERVEN
In onderstaande overzicht zijn de bestuurlijke maatregelen weergeven die worden getroffen als in woningen en bijbehorende erven drugshandel plaatsvindt ten aanzien van een middel als bedoeld in lijst II (softdrugs) met een handelshoeveelheid van meer of gelijk aan 150 gram en/of meer of gelijk aan 15 hennepstekjes of planten.
Ook zijn in onderstaand overzicht de bestuurlijke maatregelen weergeven die worden getroffen als in woningen en bijbehorende erven drugshandel plaatsvindt ten aanzien van een middel als bedoeld in lijst I (harddrugs) met een handelshoeveelheid van meer of gelijk dan 1 gram.
In principe wordt bij een 1e constatering bij het aantreffen van een hoeveelheid softdrugs van minder dan 15 planten of minder dan 150 gram softdrugs in woningen en bijbehorende erven aangenomen dat sprake is van een minder ernstig geval en volstaan met een waarschuwing.
In principe wordt bij een 1e constatering bij het aantreffen van een hoeveelheid van meer dan 0,5 maar minder dan 1 gram dan wel meer dan 1 maar minder dan 6 pillen dan wel meer dan 5 milliliter maar minder dan 10 milliliter harddrugs in woningen en bijbehorende erven aangenomen dat sprake is van een minder ernstig geval en volstaan met een waarschuwing.
LID 2.10 MAATREGELEN BIJ VOORBEREIDINGSHANDELINGEN IN WONINGEN (EN LOKALEN)
Overeenkomstig als bij de constatering dat de middelen uit lijst I en/of II Opiumwet zijn aangetroffen (daartoe aanwezig zijn).
LID 2.11RECIDIVE
Indien er sprake is van recidive telt voor het toe te passen handhavingsarrangement de laatst hoeveelheid aangetroffen verdovende middelen en of het desbetreffende middel voorkomt op lijst I of lijst II. Indien, al dan niet uit oogpunt van proportionaliteit en subsidiariteit c.q. met toepassing van artikel 4:84 Awb, bij de eerste overtreding is volstaan met een waarschuwing, wordt bij recidive het handhavingsarrangement behorende bij de tweede overtreding toegepast.
LID 2.12LOKALEN EN BIJBEHORENDE ERVEN
Drugshandel in lokalen en daarbij behorende erven vormt eveneens een ernstige aantasting van de openbare orde, veiligheid en volksgezondheid. Daarbij legt een illegaal verkooppunt en/of de illegale aanwezigheid van drugs een zware druk op de omgeving. Zeker in woongebieden wordt de aanwezigheid daarvan als zeer belastend ervaren. Illegale verkooppunten (de drugshandel zoals eerder is gedefinieerd) vormen een bedreiging voor de sociale veiligheid in de buurt en leiden vaak tot verloedering van het straatbeeld. Ook bij lokalen en daarbij behorende erven is onderscheid gemaakt tussen de drugshandel in softdrugs en drugshandel in harddrugs.
LID 2.13DE SLUITINGSTERMIJNEN BIJ LOKALEN EN BIJBEHORENDE ERVEN
In onderstaand overzicht zijn de bestuursrechtelijke maatregelen weergegeven die worden getroffen als in lokalen en bijbehorende erven drugshandel plaatsvindt ten aanzien van een middel als bedoeld in lijst II (softdrugs) met een handelshoeveelheid van meer of gelijk aan 150 gram en/of meer of gelijk aan 15 hennepstekjes of planten.
Ook zijn in onderstaand overzicht de bestuursrechtelijke maatregelen weergegeven die worden getroffen als in lokalen en bijbehorende erven drugshandel plaatsvindt ten aanzien van een middel als bedoeld in lijst I (harddrugs) met een handelshoeveelheid van meer of gelijk aan 1,5 gram.
Wordt bij een 1e constatering meer dan 0,5 maar minder dan 1,5 gram dan wel meer dan 1 maar minder dan 10 pillen dan wel meer dan 5 milliliter maar minder dan 15 milliliter harddrugs harddrugs in lokalen en bijbehorende erven aangetroffen, dan wordt overwogen of met een minder ingrijpende bestuurlijke maatregel kan worden volstaan.
LID 2.14RECIDIVE
Als er sprake is van recidive telt voor het toe te passen handhavingsarrangement de laatst hoeveelheid aangetroffen verdovende middelen en of het desbetreffende middel voorkomt op lijst I of lijst II. Als, al dan niet uit oogpunt van proportionaliteit en subsidiariteit eventueel met toepassing van artikel 4:84 Awb, bij de eerste overtreding is volstaan met een waarschuwing, wordt bij recidive het handhavingsarrangement behorende bij de tweede overtreding toegepast.
LID 2.15INWERKINGTREDING EN OVERGANGSRECHT
Deze beleidsregel treedt in werking de dag na publicatie van de bekendmaking van het besluit tot vaststelling.
Deze beleidsregel treedt in de plaats van de op 12 juli 2017 vastgestelde beleidsregel. Het voorgaande met inachtneming van het in lid 3 bepaalde.
Handhavingsprocedures met betrekking tot artikel 13b van de Opiumwet die zijn opgestart (in de zin dat voorafgaand aan het moment van inwerkingtreding van deze beleidsregel een voornemen tot handhavend optreden is verzonden zonder dat hierover besluitvorming heeft plaatsgevonden) ten tijde van de geldigheid van de op 12 juli 2017 vastgestelde beleidsregel en bijbehorende handhavingsarrangementen, worden voorgezet op basis van deze nieuwe beleidsregel en de daarin opgenomen handhavingsarrangementen.
LID 2.15CITEERTITEL
Deze beleidsregel wordt aangehaald als ‘Damoclesbeleid Maasgouw 2020’.
Artikel 2.