1.. - bebouwde kom Wet natuurbeheer: de bebouwde kom van de gemeente, vastgesteld ingevolge artikel 1, vijfde lid, van de Boswet;

  • - boom: Een houtachtig, opgaand gewas met een omtrek van de stam van minimaal 63 cm (ca. 20 cm diameter) op 1,3 meter hoogte boven het maaiveld. In geval van meerstammigheid geldt de omtrek van de dikste stam;
  • - dunning: velling, buiten de bebouwde kom, ter bevordering van de groei en instandhouding van een bosperceel, waarbij periodiek 25 % tot maximaal 50% van het bosperceel wordt geveld en waarbij de kronen zich na drie jaar weer sluiten;
  • - houtopstand:
    • - één of meer bomen of boomvormers,
    • - een houtwal,
    • - een beplanting van bosplantsoen,
    • - vlak- en lijnvormige landschapselementen waar bomen en struiken onderdeel van uitmaken;
  • - monumentale boom: Boom die als zodanig vermeld staat op de, overeenkomstig artikel 4:11d, door het college van burgemeester en wethouders vastgestelde lijst van monumentale bomen;
  • - vellen: Rooien; kappen; verplanten; het snoeien van meer dan 25 procent van de kroon of het wortelgestel, met inbegrip van kandelaberen,
  • - vergunning: een omgevingsvergunning.