Om een bedrag te kunnen (in)vorderen, dient er sprake te zijn van een ‘verbintenis’ tot het betalen van een bedrag. Verbintenissen ontstaan bijv. uit de wet of uit een overeenkomst. Vorderingen worden onderscheiden in privaat-, publiek- en bestuursrechtelijke vorderingen. Het belangrijkste verschil tussen privaat- en publiekrechtelijke vorderingen is dat de gemeente bij publiekrechtelijke vorderingen het recht op parate executie heeft. Dit betekent dat de gemeente zonder tussenkomst van de rechter dwangmaatregelen kan treffen; iets dat bij privaatrechtelijke vorderingen niet het geval is.
Privaatrechtelijke vorderingen komen voort uit een overeenkomst tot dienstverlening of levering van producten/diensten op privaatrechtelijke gronden naar burgerlijk recht, waarvoor de gemeente een vergoeding factureert (huur, verkoop). Voor privaatrechtelijke vorderingen gelden voornamelijk het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering en het Burgerlijk Wetboek (BW) als wettelijk kader. De gemeente heeft bij de invordering hierin géén bijzondere bevoegdheden ten opzichte van andere natuurlijke- en rechtspersonen. Naast de geldende wetgeving specifiek gericht op vorderingen moet rekening worden gehouden met de Awb en de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, ook als sprake is van privaatrechtelijke handelingen (beslag, executoriaal verkoop, etc.). Wanneer een schuldenaar in verzuim is, mogen kosten op hem worden verhaald. Dit mag pas nadat de vervaltermijn van de (verplicht) kosteloze herinnering is vervallen. De hoogte van de maximaal in rekening te brengen kosten, volgen uit het Besluit Vergoeding voor Buitenrechtelijke Incassokosten, ook wel de Wet Incassokosten (WIK) genoemd.
Publiekrechtelijke vorderingen ontstaan over het algemeen uit een besluit van een bestuursorgaan (subsidiebeschikking, bepaalde belastingen op aanslag, verordening) of rechtstreeks uit de wet (bepaalde belastingen op aangifte, premies). In het eerste geval is de ontstaansbron van de vordering gelegen in het besluit van het bestuursorgaan, in het tweede geval aan de hand van een wettelijke regeling. Voor publiekrechtelijke vorderingen geldt als belangrijkste wettelijk voorgeschreven kader de Invorderingswet 1990 en de daarbij behorende Uitvoeringsregeling Invorderingswet 1990. Deze wet geldt in beginsel alleen voor rijksbelastingen, maar is via een artikel in de Gemeentewet ook grotendeels van toepassing op gemeentelijke belastingen. Op het in rekening brengen van kosten van invordering is voor publiekrechtelijke vorderingen de Kostenwet als verplicht wettelijk kader van toepassing.
Onder bestuursrechtelijke vorderingen vallen de ‘last onder dwangsom’, ‘kosten van bestuursdwang’ en de ‘bestuurlijke boete’, welke hieronder nader zijn toegelicht. Een bestuursrechtelijke vordering ontstaat door een wettelijk voorschrift dat een verplichting tot betaling aan of door een bestuursorgaan regelt, hetzij een besluit dat vatbaar is voor bezwaar of beroep. De bestuursrechtelijke vorderingen volgen in beginsel het publiekrecht en worden daarom ook wel eens ‘bijzondere publiekrechtelijke vorderingen’ genoemd.
Last onder dwangsom: een last tot geheel of gedeeltelijk herstel van de overtreding en de verplichting tot betaling van een geldsom (verbeuren) indien de last niet of niet tijdig wordt uitgevoerd. De dwangsom is vanaf dat moment (verbeuren) onmiddellijk verschuldigd.
Last onder bestuursdwang: een last tot geheel of gedeeltelijk herstel van de overtreding en de bevoegdheid van het bestuursorgaan om de last door feitelijk handelen ten uitvoer te leggen, indien de last niet of niet tijdig wordt uitgevoerd. De kosten van bestuursdwang kunnen op de overtreder worden verhaald. Dit wordt altijd vooraf bekend gemaakt aan de betrokkene/ overtreder.
Bestuurlijke boete: betreft een bestuurlijk sanctie-instrument en wordt opgelegd én uitgevoerd door buitengewoon opsporingsambtenaren (BOA’s) bij overtreding van bepalingen uit verordeningen (bijv. de APV). Er kan hierbij direct tot handhaving worden overgegaan bij overtreding en betaling geschiedt aan het bestuursorgaan welke de boete oplegt. De mogelijkheid om een bestuurlijke boete op te legen is geregeld in de Gemeentewet (GW) en de daarop gebaseerde algemene maatregel van bestuur (AMvB). Om een bestuurlijke boete te kunnen opleggen, moeten deze bij verordening worden aangewezen. Voor de gemeente Heerlen staan de bepalingen waarvoor een bestuurlijke boete kan worden opgelegd in de meest recente ‘Verordening bestuurlijke boete handhaving overlast in de openbare ruimte Heerlen’.
Op basis van twee grondslagen (privaatrecht en (bijzonder) publiekrecht) kan een vordering van de gemeente op een debiteur ontstaan. Zonder een dergelijke grondslag bestaat geen vorderingsrecht. Voor de invordering is het ontstaan/ de aard van de vordering, een duidelijke omschrijving en een juiste tenaamstelling van de debiteur van groot belang.
HOOFDSTUK 2
Artikel 6