1. Omschrijving

Als de jeugdige is aangewezen op jeugdhulp zorgen ouders in beginsel voor het vervoer van en naar de jeugdhulpaanbieder. Er kunnen omstandigheden zijn waardoor hierin door de jeugdige, zijn ouders en hun netwerk niet kan worden voorzien. Hierbij wordt ook gekeken naar de mogelijkheden om gebruik te maken van het openbaar vervoer.

2. Afwegingskader

• De regeling is alleen van toepassing indien het gaat om een vervoersvraag voor een jeugdige, die een indicatie heeft voor een individuele voorziening jeugdhulp;

• Er is sprake van een medische noodzaak dan wel een beperking in de zelfredzaamheid;

• Het is niet mogelijk om op eigen (financiële) daadkracht en eigen verantwoordelijkheid (al dan niet gedeeltelijk en/of met behulp van ouders/verzorgers of het eigen netwerk) het vervoer (ook OV) te organiseren;

• Er is geen andere regeling/voorziening waarvan de jeugdige gebruik kan maken voor het vervoer naar de jeugdhulpvoorziening;

• De afstand bedraagt in ieder geval meer dan 6 kilometer tot de jeugdhulpvoorziening om voor een vervoersvoorziening Jeugdhulp in aanmerking te komen. Een reisafstand binnen 6 kilometer wordt gezien als gebruikelijke zorg en/of hulp; van ouders wordt verwacht dat zij dit zelf regelen.

• Het betreft zodanig langdurige en/of intensieve hulp dat het niet redelijk en billijk is van de ouders te verlangen, dat zij de jeugdige steeds zelf brengen en halen.

In de volgende gevallen wordt geen vervoersvoorziening verstrekt:

• Als het gaat om vervoer naar andere locaties dan de jeugdhulplocatie. Vervoer naar school valt onder het leerlingenvervoer, daarbij wordt verwezen naar de verordening Leerlingvervoer.

• Als het gaat om alleen het vervoer van ouders.

• Als het gaat om vervoer van huis naar een BSO plus en van een BSO plus naar huis, dit is gelijk aan het gebruik van een reguliere BSO. Mocht de jeugdige een beschikking hebben voor het leerlingenvervoer, dan kan het vervoer van school naar een BSO plus mogelijk daar wel onder vallen.

• Als het gaat om vervoer naar en van een reguliere BSO. Mocht de jeugdige een beschikking hebben voor het leerlingenvervoer, dan kan het vervoer van school naar een BSO mogelijk daar wel onder vallen.

• Het vervoer niet langdurig noodzakelijk is of het vervoer slechts een geringe intensiteit heeft (beperkt aantal keren per maand). Hieronder vallen de meeste vormen van ambulante behandeling of begeleiding.

• Vervoer voor kinderen met lichamelijke ziekte of beperking naar dagbehandeling en naar een instelling voor kortdurend verblijf op grond van de Wlz valt onder de Wet langdurige zorg (zorgkantoor)

• Vervoer voor kinderen met verstandelijke beperking naar een dagbehandeling op grond van de Wlz en naar een instelling voor kortdurend verblijf op grond van de Wlz valt onder de Wet langdurige zorg (zorgkantoor).

• Vervoer voor kinderen met zintuiglijke beperking naar een dagbehandeling valt onder de Zorgverzekeringswet (basispakket van de zorgverzekering) en naar instelling voor kortdurend verblijf op grond van de Wlz valt onder de Wet langdurige zorg (zorgkantoor).

3. Uitgangspunten

Het uitgangspunt in het kader van jeugdhulpvervoer is dat primair de ouders verantwoordelijk zijn. Bij de casussen waar naar het oordeel van het College, de Jeugdwet artikel 2.3 lid 2 van toepassing is, kan een compensatie respectievelijk tegemoetkoming in de kosten worden geboden. Deze hoeft niet of niet altijd volledig kostendekkend te zijn. Daarbij richt de tegemoetkoming zich alleen op de jeugdige waarbij het doel is de jeugdige in staat te stellen jeugdhulp te ontvangen als hij/zij zelf noch eigen netwerk in staat is te reizen naar de plek waar de behandeling wordt geboden. De jeugdwet kent ook de vorm vervoer in het Persoons gebonden budget (PGB) in combinatie met een beschikking voor begeleiding groep.

De noodzaak van vervoer naar dagbehandeling, naschoolse behandeling, of overig zorgvervoer van jeugdigen, volgt uit de toekenning van een jeugdhulpvoorziening. Het eigen kracht principe is leidend. Dat betekent dat ouders niet standaard in aanmerking komen voor een vervoersvoorziening. In een gesprek met de ouders/jeugdige is het van belang om te bekijken wat de mogelijkheden zijn om

zelf het vervoer te kunnen regelen en welke combinaties van vervoer er mogelijk zijn.

Van medische noodzaak is sprake wanneer:

• een jongere door zijn lichamelijke, verstandelijke of zintuigelijke beperking niet in staat is om (eventueel onder begeleiding van een volwassene) gebruik te maken van het openbaar vervoer.

Van beperkingen in de zelfredzaamheid is sprake wanneer:

• De leeftijd van de jeugdige het niet toe laat zelfstandig te reizen met het OV, nadat is aangetoond dat ouders of andere personen in de naaste omgeving niet in staat kunnen worden geacht om zorg te dragen voor de begeleiding; of

• er sprake is van ernstige gedragsproblemen welke reizen in het OV of eigen vervoer onmogelijk maken; of er andere redenen van niet-medische aard zijn die het zelfstandig of onder begeleiding reizen in het OV of eigen vervoer onmogelijk maken;

• dan wel er is wel mogelijkheid het vervoer zelf te regelen, maar er is geen financiële draagkracht.

3.1 Financiële draagkracht

Vervallen

4. Toekenning vervoersvoorziening vervoer jeugdwet

Als uit onderzoek blijkt dat hetgeen beschreven in het afwegingskader en de uitgangspunten (gedeeltelijk) niet mogelijk of van toepassing is kan de jeugdige mogelijk in aanmerking komen voor een vervoersvoorziening naar een jeugdhulplocatie. Er kan ook gekozen worden voor een tijdelijke inzet van een vervoersvoorziening, mocht blijken dat op korte termijn verandering in de situatie kan komen waardoor één van de hiervoor genoemde opties het vervoersvraagstuk kan wegnemen.

De jeugdige of zijn ouders doen een onderbouwde aanvraag voor een vervoersvoorziening, voordat de jeugdhulp start of voordat mogelijk aanspraak ontstaat op een vervoersvoorziening. Vervoerskosten die zijn gemaakt voordat deze zijn aangevraagd, komen niet voor vergoeding in aanmerking.

Vervoer naar een jeugdhulplocatie is een aparte maatwerkvoorziening die als aanvullende bouwsteen op de maatwerkvoorziening jeugdhulp wordt verstrekt. Een vervoersvoorziening wordt toegekend over de afstand tussen het hoofdverblijf van de jeugdige en de dichtstbijzijnde goedkoopste adequate voorziening jeugdhulp.

Er wordt geen onbeperkte kosteloze vervoersmogelijkheid aangeboden. Immers ook een persoon zonder beperkingen moet voor vervoer kosten maken. Als er na het optreden van beperkingen geen sprake is van een andere situatie op vervoersgebied dan daarvoor (men heeft bijvoorbeeld al een auto en is gewend daarmee in de vervoersbehoefte te voorzien) is er geen noodzaak tot het bieden van een oplossing.

4.1 Uitgangspunt goedkoopst adequate vervoersvoorziening

• het college kent maximaal de kosten van de goedkoopst mogelijke adequate vervoersvoorziening toe, tenzij dit onevenredige financiële gevolgen voor de ouders/verzorgers zou opleveren.

• In het geval dat de jeugdige en/of zijn ouders ervoor kiezen de jeugdhulp te betrekken van een aanbieder die de hulp verder weg biedt, dan komen de meerkosten hiervan, de (hogere)vervoerskosten, voor eigen rekening.

5. Vervoersvoorzieningen

5.1 Vergoeding op basis van de reiskosten van eigen vervoer

• Om in aanmerking te komen voor vergoeding op basis van de reiskosten voor eigen vervoer moet dit zowel de best passende als de goedkoopste oplossing zijn.

• Indien er aanspraak bestaat op een vervoersvoorziening kan aan de ouders/verzorgers die een jeugdige zelf vervoeren, dan wel laten vervoeren naar de jeugdhulpaanbieder, een kilometervergoeding ontvangen op basis van de vastgestelde Reisregeling Binnenland.

• De te vergoeden kilometers worden berekend op basis van de kortste route via de ANWB routeplanner.

5.2 Vergoeding reiskosten openbaar vervoer

• Een vergoeding voor openbaar vervoer (op basis van 2de klas) indien de jeugdige zelfstandig van het openbaar vervoer gebruik kan maken.

• Ouders van jeugdigen van 12 jaar en ouder kunnen een OV-begeleiderskaart aanvragen, voor het kosteloos begeleiden van het kind in het OV.

• Aan de ouders van de jeugdige, onder de 12 jaar of indien er een afwijzing is voor een OV-begeleiderskaart, kan een vergoeding van ten hoogste de reiskosten van het openbaar vervoer 2e klas van één meereizende ouder/begeleider worden verstrekt, indien door de ouders wordt aangetoond dat de jeugdige niet in staat is zelfstandig van het openbaar vervoer gebruik te maken. Dit betreft de heen als de terug reis waar de jeugdige bij is.

5.3 Aangepast vervoer

Met aangepast vervoer wordt de inzet via Avan bedoeld.

• Aan de jeugdige wordt een vervoersvoorziening in de vorm van aangepast vervoer als de jeugdige door de ernst van de medische noodzaak of beperking in de zelfredzaamheid niet in staat is - ook niet met een meereizende ouder - van het openbaar vervoer gebruik te maken.

• Indien meereizen in het aangepaste vervoer vereist is, betreft dit enkel de reizen welke verbonden zijn aan het meereizen met de jeugdige in het aangepaste vervoer. Dit betreft zowel de heen als de terug reis (waar de jeugdige bij is). Overige kosten worden niet vergoed. Voor meer informatie wordt verwezen naar de indicatie Medisch begeleider.

5.3.1 Kaders aangepast vervoer

Voor het vervoer via Avan gelden de volgende kaders:

1. Het vervoer is van opstapplaats naar opstapplaats of deur tot deur. De chauffeur helpt bij het in- en uitstappen en begeleidt, indien nodig en mogelijk, tot aan de deur.

2. De deur als bedoeld in 1 is bij bijvoorbeeld een flat, appartementencomplex of verzorgingshuis de centrale toegangsdeur.

3. In Avan mogen hulpmiddelen zoals een rolstoel worden meegenomen.

4. Indien een jeugdige of zijn ouders herhaaldelijk zonder afzegging geen gebruik maakt van ritten die hij heeft aangevraagd (zgn. loosmeldingen) kan (al dan niet tijdelijk) deze vorm van vervoer stopgezet worden, waardoor gebruik van Avan niet meer mogelijk is.

5. Als er sprake is van structurele begeleiding voor en na de rit en dezelfde begeleider de inwoner ook tijdens de rit begeleidt, dan dient onderzocht te worden of het niet mogelijk is om gebruik te maken van het OV als voorliggende voorziening.

6. De gemeente geeft aan Avan de tijden door waarop een inwoner aanwezig dient te zijn op de locatie. Avan plant daarmee de ophaaltijden, hiervan kan niet afgeweken worden.

7. Bij het plannen van de ritten door Avan kan het voorkomen dat jeugdigen en volwassenen met elkaar gecombineerd worden tijdens een rit.

8. Ritten naar een jeugdinstelling kunnen gecombineerd worden met het leerlingenvervoer, dat ook uitgevoerd wordt door Avan.

9. Bij dit vervoer wordt uitgegaan van vaste chauffeurs, hierbij wordt uitgegaan van 2 vaste chauffeurs per week.

5.3.2 Bijzondere indicaties

Deze extra indicaties kunnen worden toegekend indien de aanvrager al is geïndiceerd voor collectief vervoer.

• Individueel vervoer

Voor de extra indicatie individueel vervoer kan men in aanmerking komen mits er sprake is van een medische verklaring afgegeven door een medisch specialist waarin is geformuleerd waarom de indicatie noodzakelijk is.

• Vervoer per rolstoeltaxibus

Indien inwoner een rolstoel moet meenemen die niet opvouwbaar is, dan wel gezeten in de rolstoel vervoerd moet worden, komt de rolstoeltaxibus aan de orde. De rolstoel moet voldoen aan de daarvoor gestelde eisen van zittend rolstoel vervoer.

• Medisch begeleider

Indien het tijdens de rit (medisch) noodzakelijk is dat er een begeleider aanwezig is kan er een indicatie medisch begeleider worden afgegeven. Het kan hierbij bijvoorbeeld gaan om het uitvoeren van medisch noodzakelijke handelingen tijdens de rit of zeer ernstig gedragsmatige redenen. Voor deze extra indicatie kan men in aanmerking komen mits er sprake is van een medische verklaring afgegeven door een medisch specialist waarin is geformuleerd waarom de indicatie noodzakelijk is.

Van bijzondere indicaties wordt terughoudend gebruik gemaakt. Voor alle bijzondere indicaties geldt dat ze vermeld worden in de toekenningsbeschikking.

6. Beschikking

Bij de toekenning van de vervoersvoorziening wordt de wijze en het tijdstip van de verstrekking dan wel de uitbetaling van de vergoeding, alsmede de tijdsduur van de toegekende vervoersvoorziening dan wel vergoeding bepaald en in een beschikking vastgelegd.

Vervoer naar een jeugdhulplocatie is een aparte maatwerkvoorziening die als aanvullende bouwsteen op de maatwerkvoorziening jeugdhulp wordt verstrekt. Een vervoersvoorziening wordt toegekend over de afstand tussen het hoofdverblijf van de jeugdige en de dichtstbijzijnde goedkoopste adequate voorziening jeugdhulp.

Er wordt geen onbeperkte kosteloze vervoersmogelijkheid aangeboden. Immers ook een persoon zonder beperkingen moet voor vervoer kosten maken. Als er na het optreden van beperkingen geen sprake is van een andere situatie op vervoersgebied dan daarvoor (men heeft bijvoorbeeld al een auto en is gewend daarmee in de vervoersbehoefte te voorzien) is er geen noodzaak tot het bieden van een oplossing.