Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk 6 › Paragraaf 2

Artikel 6.6

Wijze van invordering

Onderdeel van Verzamelbesluit nadere regels en beleidsregels Participatiewet, aanverwante regelingen en Sociaal Vangnet

1.. Uitgangspunt is dat de belanghebbende de vordering wegens te veel of ten onrechte verleende uitkering en verleend bedrijfskapitaal ineens binnen de gestelde termijn moet voldoen. 2.. Onverminderd het bepaalde in artikel 60, vierde lid, van de PW en artikel 28, tweede lid, van de IOAW/IOAZ en met voorbijgaan aan de in het eerste lid genoemde betalingstermijn, gaat het college indien mogelijk over tot onmiddellijke verrekening met de uitkering als bedoeld in artikel 60, derde lid van de PW en artikel 28, derde lid, van de IOAW en IOAZ; 3.. Indien volledige aflossing binnen de in het eerste lid genoemde betalingstermijn niet mogelijk is, stelt het college de maandelijkse aflossing in beginsel vast op: het bedrag boven de beslagvrije voet indien de belanghebbende een inkomen heeft ter hoogte van de voor hem geldende bijstandsnorm; 60% van de draagkracht met een minimumbedrag zoals vastgesteld onder a, indien het inkomen van de belanghebbende hoger is dan de voor hem geldende bijstandsnorm. 4.. In afwijking van het derde lid, onder a, wordt de maandelijkse aflossing voor de als geldlening verstrekte bijzondere bijstand voor duurzame gebruiksgoederen op grond van artikel 51, van de PW vastgesteld op 5% van de van toepassing zijnde uitkeringsnorm. 5.. In afwijking van het eerste tot en met het vierde lid, kan het aflossingsbedrag op verzoek van de belanghebbende lager worden vastgesteld indien: de vordering met het door de belanghebbende voorgestelde bedrag binnen een termijn van 36 maanden is afgelost; en het aflossingsbedrag minimaal € 20 per maand bedraagt. 6.. Het onderzoek naar mogelijk gewijzigde financiële omstandigheden wordt periodiek en signaal gestuurd uitgevoerd door middel van gegevensuitwisseling met het Inlichtingenbureau. 7.. Bij het niet (meer) nakomen van een opgelegde betalingsverplichting en bij het ontbreken van mogelijkheden tot verrekening met de uitkering, kan het college overgaan tot: een executoriaal beslag overeenkomstig de artikelen 479b tot en met 479g van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering; andere beslagen in de zin van het Tweede Boek van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering, waarbij ook tot executoriaal beslag op (on)roerende zaken of tot executoriaal beslag onder derden kan worden overgegaan door middel van het inschakelen van een deurwaarder; een conservatoir beslag in de zin van het Derde Boek van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering; of een executoriaal beslag op onroerende zaken of onder derden overeenkomstig het bepaalde in het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering door middel van het inschakelen van een deurwaarder. 8.. In geval van beslaglegging en/of het inschakelen van een deurwaarder zoals vermeld in het zevende lid, kan de vordering worden verhoogd met de invorderingskosten met een minimum van € 40 en tot maximaal € 450 en met de wettelijke rente.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel