1. De regeling wordt opgeheven indien twee van de deelnemende gemeentebesturen daartoe besluiten of indien na uittreding door een gemeente overeenkomstig het bepaalde in artikel 31 lid 2 er nog slechts één deelnemende gemeente resteert.
2. Indien de regeling wordt opgeheven, geschiedt de liquidatie door het algemeen bestuur. De financiële gevolgen van de opheffing zullen worden geregeld overeenkomstig de verdeelsleutel als hiervoor bepaald in artikel 31 lid 3 van de regeling.
3. Uiterlijk zes maanden voor het tijdstip, waarop de regeling ophoudt te bestaan, stelt het algemeen bestuur een liquidatieplan op dat aan de gemeentebesturen moet worden medegedeeld. Dit liquidatieplan voorziet in de verplichting van de deelnemers alle rechten en verplichtingen van het openbaar lichaam over de deelnemers te verdelen conform de verdeelsleutel als hiervoor bepaald in artikel 31 lid 3 van de regeling.
4. De gemeentebesturen kunnen hun bedenkingen over het liquidatieplan binnen twee maanden na ontvangst daarvan aan het algemeen bestuur mededelen. Vervolgens stelt het algemeen bestuur het liquidatieplan vast.
5. De gemeenten verbinden zich in geval van opheffing van het openbaar lichaam, de resterende rechten en verplichtingen van het openbaar lichaam over de gemeenten te verdelen conform de verdeelsleutel zoals vermeld in het liquidatieplan.
6. Het dagelijks bestuur wordt belast met de uitvoering van het liquidatieplan.
7. Het openbaar lichaam blijft voortbestaan zolang dit voor de liquidatie van het vermogen nodig is. De bestuursorganen blijven zolang functioneren.
HOOFDSTUK 7 Slotbepalingen
Artikel 32
Opheffing en liquidatie
Onderdeel van GEMEENSCHAPPELIJKE REGELING PARTICIPATIEBEDRIJF Wsw