**1..** Werkgever en medewerker spannen zich beiden tot het uiterste in om alles wat redelijkerwijs in hun vermogen ligt, te doen om de medewerker, wiens functie vervalt, in een andere passende functie te herplaatsen.
**2..** Indien herplaatsing in een passende functie na zorgvuldige afweging, niet mogelijk is, wordt onderzocht of de medewerker een functie kan worden aangeboden, die deze geschikt acht.
**3..** Om de herplaatsing te bewerkstelligen stellen de direct leidinggevende en de werknemer gezamenlijk een trajectplan op. Dit trajectplan wordt in overleg met de betreffende medewerker en de direct leidinggevende zo spoedig mogelijk doch uiterlijk binnen drie maanden na het besluit tot herplaatsing als bedoeld in artikel 6 van deze verordening opgesteld. In dit trajectplan wordt tenminste geregeld:
wederzijdse inspanningsverplichting;
eventuele termijnen van outplacement;
sollicitatieactiviteiten;
scholingsactiviteiten;
het te volgen traject;
tijdstip tussentijdse evaluaties (uiterlijk binnen 6 maanden);
bemiddelingsduur (conform artikel 10 van deze verordening);
de rol van het loopbaancentrum zoals besproken in de nota herplaatsingsbeleid 2003;
voorkeursfuncties van de betreffende medewerker.
**4..** Voor zowel de werkgever als de werknemer is het mogelijk zich te laten bijstaan door een adviseur met betrekking tot het opstellen van het in het vorige lid van dit artikel bedoelde trajectplan. De betreffende medewerker wordt voorafgaand aan het (de) betreffende gesprek(ken) op de hoogte gesteld van voorgaande.
**5..** Het in lid 3 van dit artikel bedoelde trajectplan wordt door zowel de medewerker als de leidinggevende geaccordeerd. Indien deze partijen niet tot overeenstemming kunnen komen, vervult de naast hogere leidinggevende een bemiddelingsrol. Indien dan nog steeds geen overeenstemming bereikt kan worden, kan de medewerker bezwaar en beroep aantekenen conform de Algemene wet bestuursrecht.