Iedereen die een uitkering ontvangt krijgt de arbeidsplicht opgelegd, tenzij hierop een uitzondering wordt gemaakt. Het maken van een uitzondering kan voortvloeien uit de wet of op grond van omstandigheden bij de inwoner zelf. De gemaakte uitzondering is doorgaans tijdelijk.
Als de arbeidsplicht is opgelegd dan worden afspraken met de inwoner gemaakt. Deze afspraken gaan over wat er nodig is om weer aan het werk te gaan. De afspraken liggen vast in een plan van aanpak. De uitvoering van het plan is een gezamenlijke verantwoordelijkheid van de inwoner en Werkkracht. Werkkracht zet diverse instrumenten in om de bemiddeling naar werk te laten slagen. Weigeren om hieraan mee te werken kan leiden tot een maatregel.
Een maatregel is een korting op de uitkering als gevolg van het niet nakomen van de arbeidsplicht. Het is niet bedoeld als straf maar een middel om gewenst gedrag te bewerkstelligen.
De rolverdeling tussen Werkkracht en de gemeente is de volgende: Werkkracht stelt vast dat de inwoner één of meerdere afspraken niet is nagekomen. Werkkracht stelt samen met de contactpersoon van de gemeente ook vast welke omstandigheden hier de oorzaak van zijn geweest. De bevindingen worden in een rapport opgenomen. Tijd is een belangrijke factor: snel vaststellen dat er sprake is van niet-nakoming zodat snel een prikkel kan worden gegeven om het gedrag te veranderen.
De gemeente legt de maatregel op. Om geloofwaardig te zijn wordt het rapport van Werkkracht opgevolgd. De beoordeling van de zwaarte van de maatregel inclusief het afzien ervan is aan de medewerker van de gemeente. Zowel de zwaarte als het eventuele afzien ervan dient gemotiveerd te gebeuren. Ook hier is tijd een belangrijke factor: het rapport vraagt om directe opvolging.
In de uitvoering krijgt afwikkeling van een maatregelrapport prioriteit.
Hoofdstuk 5.
Artikel 5.4