De gemeente hanteert de onderstaande ambities bij:
het toelaten van nieuwe (zeer/beperkt) kwetsbare objecten in de omgeving van aanwezige activiteiten met externe veiligheidsrisico’s, en
het toelaten of uitbreiden van (nieuwe) activiteiten met externe veiligheidsrisico's.
Hierbij maakt de gemeente onderscheid in organisatorische en gebiedsgerichte ambities.
Organisatorische ambities
Een activiteit met externe veiligheidsrisico’s, welke volgens de Omgevingswet 5 Het betreft de in de bijlagen VII tot en met X van het BKL genoemde activiteiten niet als zodanig is aangewezen, wordt op een gelijke wijze behandeld als een activiteit, die volgens de Omgevingswet wel als zodanig is aangewezen en vergelijkbaar is. Vergelijkbare risicovolle activiteiten zijn bijvoorbeeld: het langdurig (> 24 uur) parkeren van tankwagens met gevaarlijke stoffen.
Een specialist omgevingsveiligheid (van de Omgevingsdienst Rivierenland en de Veiligheidsregio Gelderland-Zuid) worden vanaf de initiatieffase betrokken bij een ruimtelijk besluit voor een plangebied dat ligt binnen:
de 200 m zone van een basisnetroute of een andere EV-relevante transportroute;
het invloedsgebied of aandachtsgebied van een relevante buisleiding;
de grootste EV-zone van een stationaire risicovolle activiteit.
De relevante zones zijn aangegeven op een EV-signaleringskaart.
Een standaard verantwoordingstekst, waarbij beknopt wordt ingegaan op de verplichte verantwoordingselementen, mag worden gebruikt bij een ruimtelijk besluit voor een plangebied, waarbij de gevolgen op een zwaar ongeval zeer gering zijn en/of de mogelijkheden voor de zelfredzaamheid/bestrijdbaarheid redelijk tot goed zijn. De gevolgen van een zwaar ongeval zijn in ieder geval zeer gering indien:
een plangebied ligt binnen het invloedsgebied van een basisnetroute of een andere relevante transportroute voor het vervoer van gevaarlijke stoffen maar buiten de 200 meter van deze transportroute, mits,
binnen het invloedsgebied geen zeer kwetsbaar gebouw of (beperkt) kwetsbare locatie wordt toegelaten 6 Deze ambitie geldt tot inwerkingtreden van Omgevingswet. .
Een specialist externe veiligheid (van de Omgevingsdienst Rivierenland en zo nodig de Veiligheidsregio) worden vanaf de initiatieffase 7 Fase waarin een initiatief, principeverzoek of planontwikkeling wordt getoetst. betrokken bij de voorbereiding van een ruimtelijk besluit:
op grond waarvan een nieuwe activiteit 8 Een checklist met bestemmingen, waar deze activiteiten aan de orde kunnen zijn wordt nog opgesteld. met externe veiligheidsrisico’s wordt toegelaten;
voor een plangebied dat ligt binnen de plaatsgebonden risicocontour 10-6/jaar van een stationaire activiteit met externe veiligheidsrisico’s waarbij de plaatsgebonden risicocontour 10-6/jaar ligt over een perceel van derden.
Bij het toelaten van activiteiten met EV-risico’s, waarbij de gemeente niet het bevoegd gezag is (zoals het verhogen van risicoplafonds voor het vervoer gevaarlijke stoffen over het spoor Meteren-Den Bosch of de vergunningverlening voor een BRZO-bedrijf), zal de gemeente in een vroeg stadium in overleg treden met het relevante bevoegde gezag. De gemeente zal in goed overleg invloed uitoefenen en belangen afwegen.
Het gemeentebestuur wordt in ieder geval actief betrokken bij de voorbereiding van besluiten (inclusief de expliciete verantwoording restrisico) indien wordt afgeweken van een gebiedsgerichte ambitie die in deze beleidsvisie externe veiligheid is opgenomen.
Ambities voor woongebieden
Voor dit gebied staat de functie wonen centraal. Voor dit type gebied hanteert de gemeente de in onderstaande matrix vermelde ambities.
Bij een nieuw bestemmings-/omgevingsplan of de herziening van een bestemmings-/omgevingsplan wordt de uitbreiding en nieuwvestiging van stationaire activiteiten met externe veiligheidsrisico’s niet toegestaan. Dit betekent bijvoorbeeld dat nieuwe vuurwerkverkooppunten niet in woongebieden worden toegestaan. Via een afwijkingsregel in het bestemmings-/omgevingsplan kan de nieuwvestiging van een gasdrukregel- en meetstation onder bepaalde voorwaarden eventueel worden toegestaan.
Ambities voor landelijk gebied
In het landelijk gebied accepteert de gemeente een minder streng veiligheidsregime dan in woongebieden. Voor dit type gebied hanteert de gemeente de in onderstaande matrix vermelde ambities.
Bij de herziening van een bestemmings-/omgevingsplan wordt de uitbreiding en vestiging van stationaire risicovolle activiteiten zoals genoemd onder bijlage VII (paragraaf A.1a, B, D en E) en de bijlagen VIII tot en met X van het BKL in beginsel niet toegestaan. Indien de uitbreiding of vestiging aan de orde is, kan hiervoor een bestemmings-/omgevingsplan worden opgesteld. Bij de uitbreiding of vestiging gelden bovenstaande ambities. Andere stationaire risicobronnen kunnen worden toegestaan in het buitengebied onder de voorwaarde dat wordt voldaan aan relevante veiligheidsafstanden.
Ambities voor bedrijventerreinen type A
Voor bedrijventerreinen accepteert de gemeente een minder streng veiligheidsregime dan in woongebieden. De gemeente maakt onderscheid tussen bedrijventerreinen type A, type B en type C.
Op bedrijventerreinen type A (Zeiving Noord-West, AVRI-terrein en Hondsgemet Noord-West) gelden de minste restricties voor activiteiten met EV-risico's, maar veel restricties voor kwetsbare functies. Voor dit type gebied hanteert de gemeente de in onderstaande matrix vermelde ambities.
Ambities voor bedrijventerreinen type B
Op bedrijventerreinen type B (Hoge Weide II en III, Hondsgemet Noord-Oost, Hondsgemet Zuid, de Proeftuinen, Slimwei, Vredebest, Zeiving Noord, Zeiving Zuid en Waaloever) gelden weinig restricties voor activiteiten met EV-risico's, maar veel restricties voor kwetsbare functies. Voor dit type gebied hanteert de gemeente de in onderstaande matrix vermelde ambities.
Ambities voor bedrijventerreinen type C
Op bedrijventerreinen type C hanteert de gemeente de in onderstaande matrix vermelde ambities.
Bovenstaande ambities zijn er op gericht om de mogelijkheid van de vestiging en uitbreiding van activiteiten met EV-risico's te behouden, gebruiksmogelijkheden van aangrenzende percelen niet te beperken en personen binnen woongebieden (en zeer kwetsbare gebouwen) te beschermen. Door technische veiligheidsmaatregelen is het doorgaans goed mogelijk om de relevante risicocontour voor het plaatsgebonden risico (de PR 10-6 contour) binnen de begrenzing van de locatie te houden waarop de risicovolle activiteit plaatsvindt. Daarnaast kan ook door maatregelen worden bereikt dat aandachtsgebieden niet over (zeer) kwetsbare bestemmingen komen te liggen. Bij de herziening van een bestemmings- of omgevingsplan, dat betrekking heeft op voornoemde bedrijventerreinen, is of zal een wijzigingsbevoegdheid (worden) opgenomen voor de toelating (onder) voorwaarden van een nieuwe risicovolle activiteit.
Hoofdstuk 2
Artikel 2.4